De transatlantische slavenhandel; Een multinational avant la lettre

Robin Blackburn: The Making of New World Slavery. Verso, 602 blz. ƒ 98,-

Slavernij is een verschijnsel van vrijwel alle tijden en culturen. Met de 'ontdekking' van de Nieuwe Wereld nam de geschiedenis van de slavernij echter een nieuwe en weerzinwekkende wending.

Tussen 1492, het jaar van Columbus' landing in de Caraïben, en 1866, toen de laatste lading op Cuba werd afgeleverd, zijn zo'n tien miljoen Afrikaanse slaven in de Nieuwe Wereld aangekomen. Waarschijnlijk liet nog eens een vergelijkbaar aantal in het voortraject het leven, tijdens slavenjachten en oorlogen in Afrika, in de depots voor de Afrikaanse kust waar zij op hun gedwongen verscheping wachtten, en tijdens de overtocht.

Van deze tien miljoen slaven werd ongeveer de helft naar de Caraïben gebracht, de rest naar het Latijns-Amerikaanse continent, in het bijzonder Brazilië, en naar Noord-Amerika. De belangrijkste 'slavenhalers' waren de Britten, gevolgd door de Fransen, Portugezen en Brazilianen, Spanjaarden en Cubanen, en Nederlanders. Het Nederlandse aandeel in de transatlantische slavenhandel bedroeg ongeveer vijf procent, dus een half miljoen slaven.

De slavenhandel was voornamelijk gericht op die gebieden waar de Europeanen hoopten met grootschalige arbeidsinzet fortuinen te maken, maar waar de lokale Indiaanse bevolking te gering was of te moeilijk tot geregelde arbeid te dwingen en Europese immigranten zich evenmin tot deze meestal zware arbeid lieten overhalen of dwingen. Daarom zochten de Europese mogendheden hun heil in de aanvoer van slaven, Afrikaanse slaven.

Zo ontstond het fenomeen van de driehoekshandel - deels metafoor, deels letterlijke werkelijkheid - die drie continenten verbond. Vanuit Europa werden textiel, wapens, drank en andere producten naar Afrika gebracht en daar verkocht of geruild. De opbrengst werd omgezet in slaven, die naar de Nieuwe Wereld werden gebracht en daar verkocht. De baten hiervan dienden tot de aankoop van de suiker, koffie, katoen en cacao die op de slavenplantages werden geproduceerd. Na de verkoop ervan in Europa werd een deel bestemd voor investeringen in een volgende ronde van de driehoekshandel; de rest was, in theorie althans, winst.

Duivelse driehoek

Het systeem van Afrikaanse slavenmarkten, Amerikaanse plantages en Europese centra was paradoxaal. Enerzijds was het een opmerkelijk geavanceerd systeem, een stelsel van multinationals, eeuwen voordat het woord was uitgevonden. De logistiek van de intercontinentale handel en daarmee samenhangende financiële regelingen, de verregaande organisatie en standaardisering van het productieproces op de plantages, de wijze waarop voorheen slechts voor consumptie van de Europese elites bestemde producten in steeds grotere hoeveelheden en tegen steeds lagere prijzen konden worden aangeboden en bewust werden toegevoegd aan het dieet van steeds meer Europeanen - dat alles getuigt van een opmerkelijke moderniteit. Maar anderzijds was de crux in deze duivelse driehoek de slavernij, een arbeidsvorm die in West-Europa zelf langzamerhand het stigma kreeg van, zoal niet economisch inefficiënt, toch in ieder geval moreel verwerpelijk. Slavernij was de duistere kant van de Europese moderniteit.

Het zo lang ontbreken van wijdverbreide scrupules aangaande de slavernij en het zo lang achterwege blijven van daadwerkelijke stappen om hieraan een einde te maken, behoren tot de meest intrigerende vraagstukken van de historiografie van de Amerika's. Het is een debat waaraan Blackburn in een eerder boek, The Overthrow of Colonial Slavery 1776-1848 (1988), een originele, zij het omstreden bijdrage leverde door de nadruk te leggen op de 'stormy class struggles' aan beide zijden van de oceaan, die de afschaffing van de slavernij uiteindelijk onvermijdelijk zouden hebben gemaakt, te beginnen met het Britse Imperium. The Making of New World Slavery is een uitvoerige analyse van de voorgaande periode, waarin de slavernij in de Nieuwe Wereld vorm kreeg en een ontstellende vlucht nam.

Slavernij, betoogt Blackburn met recht, mag dan een verschijnsel van vrijwel alle culturen en tijden zijn geweest, in de Nieuwe Wereld nam het een niet eerder vertoonde omvang en mate van economische sophistication aan. Bovendien werd in de transatlantische driehoek de slavernij voor het eerst volstrekt identiek aan Afrikaanse slavernij; daarmee werd een relatie tussen slavernij en rassenwaan gecreëerd die nog lang na de afschaffing van de slavernij in allerlei racistische denkbeelden zou voortleven. In het eerste deel van deze studie behandelt Blackburn de slavernij in de Oude Wereld, de Iberische experimenten met plantageslavernij voor de kust van Afrika en vervolgens de oversteek van dit allengs meer geperfectioneerde systeem naar de Amerika's, eerst onder de Spanjaarden en Portugezen, vervolgens ook, en intensiever, onder de Nederlanders, Britten en Fransen.

Veel aandacht besteedt Blackburn aan de, zeker vanuit hedendaags standpunt, schaamteloze hypocrisie waarmee de christelijke kolonisatoren, die in de voorgaande eeuwen juist de slavernij op eigen bodem en van 'eigen' mensen hadden beëindigd, de slavernij van Afrikanen verdedigden, mede met een beroep op de Bijbel. Van land tot land zijn daarbij wel variaties aan te wijzen; de kern bleef echter dezelfde. Ook in Nederland en zijn koloniën, die er overigens in Blackburns studie bekaaid vanaf komen, leefde de vraag naar de toelaatbaarheid van slavernij nauwelijks.

Het verhaal dat zich hierover laat vertellen spoort in hoge mate met dat van de andere Europese mogendheden. De Nederlandse betrokkenheid bij de slavenhandel dateert van de late zestiende eeuw; pas drie eeuwen later kwam een einde aan de slavernij in de Nederlandse Caraïben. De lange duur van deze episode is te meer opmerkelijk daar juist Nederland als een van de eerste mogendheden ter wereld in eigen land die vorm van onvrijheid van zijn onderdanen had afgeschaft. Toen de Nederlanders laat in de zestiende eeuw handelsrelaties met Afrika aanknoopten, kwamen zij uit een samenleving die nauwelijks zwarten kende. Het kostte hun slechts enkele decennia om een heel scala van overwegend negatieve beelden over de Afrikaan te ontwikkelen.

Zwartheid

Aanvankelijk speelden in die stereotyperingen 'zwartheid' en inferioriteit nog niet eens zo'n grote rol. De nadruk lag op de veronderstelde wildheid van de Afrikaan, waarbij vooral hun vermeende heidendom en losbandigheid de aandacht trokken. Zodra zij echter betrokken waren geraakt bij de Atlantische slavenhandel en bij de plantagekolonies van de Nieuwe Wereld, begonnen de Nederlandse zegslieden het hele register van rechtvaardigingen te bespelen, waartoe ook de erfelijke minderwaardigheid van de Afrikaan behoorde. Wat Nederlanders daarover schreven, week niet af van wat anderen in de Westerse wereld op dat moment schreven. In allerlei combinaties werden zwartheid, heidendom, wreedheid en seksuele losbandigheid beschreven als kenmerkend voor de Afrikaan. Met die beeldvorming werden meteen de slavenhandel en de slavernij gerechtvaardigd.

Op zichzelf ontkende men niet dat de Afrikaan mens was; wel werd zwartheid geassocieerd met de vloek die Noach had uitgesproken over Cham en zijn afstammelingen, een klassieke rechtvaardiging die door alle betrokken mogendheden werd gehanteerd. De oneindige minderwaardigheid van de slaven kon daarom worden beschouwd als de wil van God. Het was dus slechts logisch dat zwarten blanken als slaven dienden, ook al was slavernij op zich geen natuurlijke toestand van de mens. Slavernij in dienst van Europeanen gaf Afrikanen bovendien de mogelijkheid te ontsnappen aan de verwording en wreedheid van hun onbeschaafde continent. Tenslotte waren de meeste slaven die aan slavenhandelaren werden verkocht oorlogsbuit, mensen die anders zouden zijn gedood of door de Afrikanen die hen hadden overmeesterd zouden zijn mishandeld.

Een enkele keer noemde men ook wel slavernij als het voorportaal naar kerstening; anders dan in het katholiek Europa werd dit argument echter in de Britse en Nederlandse wereld nooit echt belangrijk. En ten slotte waren er de onverbloemde uitspraken van auteurs als de scheepsarts Gallandat, die in zijn handboek voor slavenhandelaren uit 1769 een meer pragmatische rechtvaardiging voor de slavernij gaf: 'Alleenlijk zal ik hier aanmerken, dat er vele bedryven plaats hebben, welke ongeoorloofd zouden schynen, indien er geen byzonder voordeel in te vinden was. Getuige zy hier van de Slavenhandel, dien men alleen al door het voordeel, 't welke dezelfde aan de kooplieden toebrengt, van onwettigheid kan vryspreken.' Het zou tot ver in de negentiende eeuw duren voor Nederland dit cynisme verliet, althans in zijn wetgeving.

Aan zijn analyse van de ontwikkeling van de slavernij in de diverse koloniën verbindt Blackburn de opmerkelijke stelling dat het ook allemaal anders had gekund: als men om welke reden ook geen gebruik had gemaakt van slaven, bijvoorbeeld omdat er geen aanbod was vanuit Afrika, zouden de elites gedwongen zijn geweest (Europese) arbeiders behoorlijke lonen te betalen. Dan zou er een evenwichtiger en vooral minder mensonterende ontwikkeling mogelijk zijn geweest. Een betere wereld, dat wel; maar een in de context van die tijd en dát kolonialisme denkbare wereld?

De argumenten voor Blackburns counterfactual redenering overtuigen niet; het is geen toeval dat de voorbeelden die hij geeft van een 'evenwichtiger' ontwikkeling geen betrekking hebben op suiker of koffie, maar op producten die zich naar hun aard meer lenen voor kleinschalige landbouw. Het ligt meer voor de hand te veronderstellen dat zonder slavenarbeid ófwel tropisch Amerika niet zou zijn ontwikkeld, ófwel de met loonarbeid geproduceerde suiker en koffie er zo duur zouden zijn geweest dat zij nooit hun explosief groeiende afzet in de Westerse wereld zouden hebben gehad. Of dat moreel beter zou zijn geweest is een andere vraag dan de economische kwestie die Blackburn aan de orde zegt te stellen.

Winstgevend

In het tweede deel van zijn studie richt Blackburn zich meer op het economisch functioneren en de winstgevendheid van de slavernij. Terecht betoogt hij, op basis van de vele studies die naar deze thematiek zijn verricht, dat de winstgevendheid weliswaar grillig kon zijn, maar uiteindelijk meestal vrij bevredigend was. Dat dit voor het Nederlands-Caraïbische geval minder geldt, is hem blijkbaar niet bekend, hij vermeldt het althans niet.

Tegen het eind van dit deel betoogt hij enerzijds, gebaseerd op wel zéér iffy redeneringen, dat de winsten van het transatlantische complex van slavenplantages een krachtige bijdrage leverden aan de Britse Industriële Revolutie, een benadering die overigens door de meeste economisch-historici niet meer wordt aangehangen. Zijn eigen conclusie belet hem vervolgens niet zijn eerdere stelling te hernemen, namelijk dat de Atlantische economie ook zonder slavernij een sterke, maar anders gerichte groei had kunnen doormaken.

The Making of New World Slavery is een lezenswaardige, erudiete en tot tegenspraak uitnodigende studie. Het boek is echter ook onnodig uitvoerig; er zijn nogal wat thematische herhalingen, en Blackburns keuze voor gedetailleerde beschrijvingen lijkt soms volstrekt willekeurig. Daarnaast blijft het boek het karakter dragen van het werk van een intelligente lezer van andermans studies, niet van een onderzoeker, laat staan van een 'archiefrat'. De enige mogelijkheid om toch met iets nieuws te komen, die hij dan ook benutte, was het presenteren van enkele tegendraadse stellingen. Die geven het boek weliswaar een zekere originaliteit, maar mij overtuigen zij niet, temeer omdat Blackburn bij zijn bewijsvoering toch weer moet leunen op onderzoek van anderen, dat zich niet altijd goed verdraagt met de draai die hij eraan geeft.

Dat, ten slotte, de Nederlandse inbreng in deze geschiedenis onderbelicht blijft, is een klacht die over vrijwel iedere vergelijkende studie naar de Caraïbische of 'Amerikaanse' geschiedenis moet worden geuit. Anders dan voorheen wellicht het geval was, geldt daarbij echter niet langer het excuus dat er niets over geschreven is, of niets in het Engels. Maar toegegeven, aan zijn verhaal voegt de Nederlandse dimensie weinig nieuws toe.