De nieuwbouw van kasteel Het Nijenhuis; Een duikboot tussen de beuken

Tegen de - ondergrondse - uitbreidingsplannen van het eeuwenoude museumkasteel Het Nijenhuis in Wijhe zijn protesten gerezen. Max van Rooy ging kijken, en raakte onder de indruk van het door Gunnar Daan ontworpen nieuwe paviljoen. “Het zal zich elegant en bescheiden voegen tussen de oude bomen”, verwacht hij. “Ontwrichting der natuur,” vinden tegenstanders.

Op de laadbak van een oude boerenkar, midden in het weiland voor de majestueuze oprijlaan naar museumkasteel Het Nijenhuis, staat een bord met de tekst: 'Nieuwbouw 't Nijenhuis verwoest historisch erfgoed'. Iedere bezoeker van de voorbeeldig bewaarde Overijsselse havezate bij Heino komt oog in oog te staan met dit pastorale protest. De compositie van kar en bord - een beetje zoals in de bermen van Barneveld de verkoop van verse eieren wordt gepropageerd - staat onbereikbaar achter een wal met distels en een hekje van prikkeldraad.

Ongeacht de aard van de aangekondigde nieuwbouw ben je geneigd het onmiddellijk met de beschuldiging eens te zijn. Op deze historische plek is alles in evenwicht. Na eeuwenlange, innige samenleving hebben natuur en architectuur hier in de gemeente Wijhe een volmaakt monumentaal verbond bereikt. De gedachte dat deze zorgvuldig onderhouden twee-eenheid - tuinlieden doen met geluidloze toewijding hun werk - door enige vorm van nieuwbouw zou worden verstoord, doet iedereen die geen hart van steen heeft, de wijsvinger in tikkende beweging naar het voorhoofd brengen.

Op een regenachtige dag met luchten in alle toonaarden tussen grijs en wit en bomenrijen die als filigrain de buitenplaats afschermen, word ik ontvangen door de directeur van museum Het Nijenhuis, Agnes Grondman. In de hoekig afgeronde torenkamer domineren twee serene, houten kasten, een viertal stoelen en een kamerscherm, allen ontworpen door Jac. van den Bosch (1868-1948). Zoals de meeste roerende goederen in het kasteel zijn de meubelstukken afkomstig uit de verzameling van Dirk Hannema (1895-1984), vanaf 1958 tot zijn dood de laatste bewoner van het Nijenhuis. Overeenkomstig zijn wens is het kasteel als verzamelaarswoning intact gebleven. De zeer uiteenlopende collectie kunst en kunstnijverheid - hij verzamelde alles wat hem 'aesthetisch boeide', van prehistorische Chinese grafgiften tot 20ste-eeuwse schilder- en beeldhouwkunst - stoffeert de vertrekken met namen als de erkerkamer, de gele zaal, de Vermeerkamer, de stadhouderskamer, de engeltjeskamer, de oosterse kamer en ook gewoon de eetkamer en de hal. Hannema had een hekel aan stijlkamers omdat deze 'altijd iets gewilds hebben'. Hij streefde naar bewoonde vertrekken waarin kunstwerken uit verschillende tijden en culturen een harmonische eenheid vormen. In 1967 noteerde hij in de Beschrijvende catalogus : “De kunstwerken zijn alle in het dagelijkse leven getrokken. Zij worden gebruikt, voorzover zij daardoor geen schade ondervinden. Dit geeft juist een aparte bekoring aan het geheel, dat daardoor levend van karakter blijft.”

Zo waart nog steeds onontkoombaar de geest van Hannema door kasteel Het Nijenhuis. En dat is een geest die ook gemengde gevoelens oproept. Van 1921 tot zijn ontslag in 1945 wegens collaboratie met de Duitsers was hij directeur van museum Boymans-Van Beuningen. Onder zijn bewind werd het Rotterdamse museum tijdens de oorlog verrijkt met een ongekend groot aantal nieuwe aanwinsten. In Het Nijenhuis gaat het weliswaar om Hannema's privé-collectie, ondergebracht in de Hannema-de Steurs Fundatie, toch is het lastig om alle bijgedachten en opkomende vragen naar herkomst van de duizenden kunstvoorwerpen in dit huis uit te bannen.

Van Meegeren

Dan is er nog die andere kwestie. Twee schilderijen in de 'Grote Sael' herinneren aan Hannema's onvoorstelbaar debâcle met 'de Emmausgangers', het doek dat hij tot zijn dood toe aan Vermeer bleef toeschrijven, maar dat door vervalser Han van Meegeren werd geschilderd. Wijzend op de twee schilderijen in de grote zaal meldt de gids nu droogjes en geheel to the point 'door Hannema aan Vermeer toegeschreven'. Hannema's eigenzinnigheid in de Vermeer-affaire illustreert de ongerichte, particuliere visie die uit de gehele verzameling spreekt. Het rommelige, inconsistente gehalte van de collectie is tevens haar kracht en maakt duidelijk dat de obsessief verzamelende Hannema geen uitgesproken smaak bezat. Agnes Grondman lijkt op die beperking te duiden als zij zegt: 'Ik geniet dagelijks van die maffe collectie'.

Gelukkig biedt museum Het Nijenhuis veel meer dan Hannema's oeuvre, dat overigens in de loop der jaren is uitgebreid met onder andere de particuliere collectie van Paul Citroen en met 283 kunstwerken van de 'Rembrandt van Overijssel', Jan Voerman sr. uit de collectie van de acteur Henk van Ulsen. Het Nijenhuis biedt ook een schat aan historische architectuur. Het kasteel met de op middeleeuwse principes berustende plattegrond is door de eeuwen heen, zoals gebruikelijk bij oude kastelen, nogal ongestructureerd uitgedijd. De zuidwestelijke vleugel is het oudste fragment en dateert uit het midden van de vijftiende eeuw. Uitbreidingen volgden in de zestiende eeuw, maar de grote sprong naar de huidige gedaante en landschappelijke omgeving werd gemaakt in het laatste kwart van de zeventiende eeuw. Uit deze tijd stamt ook het classicistische concept van het voorterrein: de oprit gelegen op de as van het door water omsloten kasteel en de twee symmetrisch geplaatste bouwhuizen. Het westelijke bouwhuis werd in 1969 door de fijnzinnige, modernistische architect Kho Liang Ie gerestaureerd en tot expositieruimte verbouwd. In 1976 volgde het oostelijke bouwhuis. De geometrisch parkaanleg vindt zijn oorsprong waarschijnlijk ook in het einde van de zeventiende eeuw. De twee ongelijkvormige torens dateren pas uit de eclectische jaren negentig van de vorige eeuw.

Aan het einde van de twintigste eeuw is Het Nijenhuis toe aan een nieuwe uitbreiding. Omdat het kasteel als verzamelaarswoning met de vaste Hannema-collectie onaangeroerd moet blijven, is de expositie-ruimte gezien de groeiende museumverzameling onvoldoende. Ook de behoefte aan een behoorlijk geoutilleerd museumcafé wordt steeds sterker, want de bezoeker van het afgelegen landgoed komt vaak van ver en heeft geen haast.

Het meest ingrijpend van de nieuwe plannen die zijn getekend door de Groningse architect Gunnar Daan, is een ovaal paviljoen dat geheel onder de grond is gedacht. De nieuwe tentoonstellings-accomodatie voor beeldende kunst - zeshonderd vierkante meter - ligt aan de achterkant van het kasteel en aan de overzijde van de slotgracht die hier met golvende oevers oogt als een romantische vijver. Een loopbrug over het water verbindt de bel-etage van het kasteel met een toegangsprieel naar de onderaardse ruimte. Brug en prieel zijn de enige onderdelen van de nieuwbouw die zich duidelijk zichtbaar in het parkbeeld aftekenen.

Brug op poten

Aanvankelijk had Gunnar Daan een zwevende, overdekte verbinding ontworpen, maar ondanks het beoogde materiaal, glas, werd deze door de monumentenzorgers afgewezen. Een gesloten aanbouw, hoe transparant ook, zou het beeld van de achtergevel teveel verstoren en het doorzicht over de gracht belemmeren. Nu resteert een eenvoudige houten brug op poten die lantaarns dragen.

Het paviljoen van Gunnar Daan (1939) gedraagt zich zo ongelooflijk bescheiden tussen de oude bomen dat het eigenlijk niet aanwezig is. Omdat het zorgvuldig is gesitueerd in de centrale as van het landgoed, wordt de klassieke geometrie die het landgoed beheerst alleen maar versterkt. Het glazen dak dat in de ondergrondse expositiezaal voor bovenlicht zorgt, ligt geraffineerd in het maaiveld van een ellipsvormig, flauw hellend gras-talud. Roosters, gedeeltelijk gevuld met gras, maken het dak beloopbaar. Voor de opbouw van het toegangsprieel wordt Iroko-hout gebruikt dat mooi grijs verweert. Een koperen helm die op natuurlijk wijze patineert - een proces van tien tot vijftien jaar - bekroont het ronde, doorzichtige gebouwtje.

Ook het interieur van het paviljoen belooft een werkstuk te worden dat past in de zorgvuldig gearticuleerde taal die Gunnar Daan voor zijn architectonisch oeuvre gebruikt. Beducht om de kelderruimte niet te 'stenig' te maken zijn de rondlopende wanden bekleed met staalplaat, voorzien van een subtiele perforatie. De vloer bestaat uit gevlinderd beton dat een donker 'vlokkig' oppervlak oplevert. Over een elegant gebogen trap met houten treden daalt de bezoeker neer in de ovalen expositieruimte.

Het paviljoen van Gunnar Daan zal in de éénentwintigste eeuw worden ervaren als een even vanzelfsprekende aanwinst van het kasteel als de torens in de negentiende- en de bouwhuizen in de zeventiende eeuw. In het programma van eisen ten behoeve van de architectenovereenkomst uit 1995 staat onder het kopje 'Kwaliteitsnorm': “Overeenkomstig de oorspronkelijke havezaten en bouwhuizen mag de uitbreiding eenvoudig zijn, doch van een eigenzinnigheid, uitstraling en klasse die niet onder doet voor het niveau van het kasteel of het door Kho Liang Ie ingerichte Westelijke Bouwhuis. Reeds bij oplevering zou men het op de monumentenlijst willen plaatsen.” Dat laatste zal misschien niet onmiddellijk gebeuren, maar hoogstwaarschijnlijk wel na zo'n tien, vijftien jaar, wanneer het Iroko-hout mooi grijs is geworden en het koperen dak van het toegangskoepeltje dat prachtige groengouden patin aan de kleur van de beukenbladeren zal toevoegen. Met andere woorden: in deze vorm wordt het historisch erfgoed Het Nijenhuis niet verwoest, maar verrijkt.

Uitbreidingslust

De uitbreidingslust waardoor de meeste musea de laatste decennia zijn bevangen, wordt nooit zonder slag of stoot bevredigd. Het vergaren van de benodigde gelden - de uitbreiding van Het Nijenhuis kost ongeveer vijf miljoen gulden en dat geld is er grotendeels - is meestal de eerste zware horde die moet worden genomen. In veel gevallen wacht daarna het werkelijke mijnenveld. Vooral als het gaat om een oud, monumentaal gebouw in een historische omgeving volgt dan de lange, kostbare strijd tegen De Bezwaren.

Tenminste zeven instanties hebben zich ingespannen om de uitbreidingsplannen te voorkomen. De Bomenstichting, de stichting BuitenGoed Overijssel, de Bond Heemschut, de Nederlandse Kastelenstichting, de Stichting Baron van Ittersum Fonds, het Cuypersgenootschap en de Historisch Vereniging Wijhe dienden bezwaarschriften in. De protesten zijn natuurlijk vooral gericht op de gevolgen die de uitbreiding heeft voor het kasteelinterieur en voor de prachtige natuurlijke omgeving. De nieuwe brug landt heel delicaat tegen de achtergevel op de plaats van een klein kabinet met twee ramen. Volgens de architect moet het, overigens niet erg bijzondere, kabinet worden opgeofferd om een bruikbare doorgang te kunnen maken. Maar de obstructie tegen deze ingreep is zo hevig dat ook op dit punt vermoedelijk water in de wijn zal moeten worden gedaan. En wat zal de verzonken 'duikboot', zoals de ovalen vleugel al is genoemd, onder de grond aanrichten tussen de wortels van de oeroude beuken? 'Ontwrichting van de natuur', beweren de tegenstanders. Agnes Grondman: “Niets, met die wortels is zorgvuldig rekening gehouden. Er zal ook geen enkele boom voor de nieuwbouw hoeven worden gekapt. In het park worden wel regelmatig bomen gerooid omdat zij ziek zijn. Maar dat is van alle tijden.”

Op 28 januari 1998 viel de laatste bezwaardag. Prognoses voorzien een uitspraak van de Zwolse bestuursrechter, bij wie de bezwaarmakers tenslotte nog in beroep kunnen gaan, op zijn vroegst halverwege 1999. 'Dan kunnen wij begin 2000 eindelijk bouwen,' verzucht Grondman.

Een dag vóór de laatste bezwaardag, op 27 januari 1998, verscheen een rapport getiteld 'Wijs beleid of onzeker avontuur?' geschreven door de kunsthistoricus dr. C.A. Veelenturf in opdracht van een van de bezwaarmakers, de Stichting BuitenGoed Overijssel. Bij dit laatste offensief is ervoor gekozen om de zaak bij de figuurlijke wortels aan te pakken en het museumbeleid van de provincie Overijssel kritisch onder de loep te nemen. Veelenturf komt tot de slotsom dat uitbreiding van Het Nijenhuis volgens de plannen van Gunnar Daan volkomen misplaatst is. Ontwikkeling van het landgoed tot een Overijssels centrum van moderne en hedendaagse kunst, zoals door de provincie is bepaald, moet als 'beleidsgedachte' worden afgezworen. Daarentegen kan volgens Veelenturf “De Hannema-de Steurs Fundatie, statutair gevestigd op Het Nijenhuis, zeer wel verantwoordelijk zijn voor het provinciaal beleid ten aanzien van de hedendaagse kunst.” Deze verantwoordelijkheid hoeft echter niet te leiden tot een miljoenen vergende uitbreiding van de tentoonstellings-accomodatie op het o zo kwetsbare landgoed. Moderne en hedendaagse kunst moet, naar de overtuiging van Veelenturf, bij voorkeur in de stad worden getoond en in Overijssel komt men dan terecht in Zwolle, Deventer en Enschede. In Deventer beschikt de Hannema-de Steurs Fundatie al sinds 1994 over de Bergkerk als expositie-ruimte. Dat is alles wat de Overijsselse steden te bieden hebben. De gemeente Zwolle heeft zich inmiddels met museum De Stadshof tot de naïeve of 'outsider' kunst bekeerd. Rijksmuseum Twenthe in Enschede wil met onder andere de verworven, particuliere collectie van J.B. van Heek een eigen, onafhankelijke koers varen als het gaat om moderne en hedendaagse kunst. Zelfs nieuwbouw wordt daarbij in de toekomst niet uitgesloten. Zo heeft de praktijk de bodem al grotendeels onder dit jongste bezwaarschrift weggeslagen.