De Europese militaire afhankelijkheid

De Europese Unie is verdeeld over de aanpak van Irak. Of, meer in overeenstemming met de werkelijkheid: omdat zij verdeeld is, zwijgt zij. Als Monsieur PESC, de Hoge Vertegenwoordiger voor het Gemeenschappelijke Buitenlands en Veiligheids Beleid, al was benoemd zou hij nu moeilijke tijden doormaken.

De grote lidstaten van de Unie spreken daarentegen met luider stemme. Premier Blair, vorige week op bezoek in Washington, gaf president Clinton ten overstaan van een mondiaal publiek zijn onvoorwaardelijke steun. Een dag later later deed kanselier Kohl in de enigszins besloten sfeer van de jaarlijkse Wehrkundetagung in München hetzelfde. Maar minister van Buitenlandse Zaken Védrine liet weten dat Frankrijk zich bij een militaire operatie tegen Saddam Hussein afzijdig zou houden. In tegenstelling dus tot de Franse houding tijdens de Golfoorlog van 1991.

“De huidige status van de Verenigde Staten als 'enige supermacht' zou in de 21ste eeuw kunnen worden uitgedaagd, maar niet door de Europese Unie”, besluit Philip H. Gordon een beschouwing onder de titel Europe's Uncommon Foreign Policy in het winternummer van het tijdschrift International Security, een uitgave van Harvard University. Gordon is hoofdredacteur van het blad Survival van het International Institute for Strategic Studies te Londen. De auteur komt tot zijn conclusie omdat hij niet gelooft dat de Unie erin zal slagen binnen afzienbare tijd haar in de verdragen van Maastricht en Amsterdam neergelegde voornemen te verwezenlijken om tot een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid te komen.

Gordon behoort niet tot het kamp van Brittanniës scherpslijpende Europa-haters. Hij erkent dat het functionalisme in Europa een beslissende rol speelt. Macht wordt volgens hem geleidelijk overgedragen naar een 'nieuw centrum' (Brussel) wanneer integratie in bepaalde sectoren integratie in een andere sector uitlokt. Andere oorzaken die Gordon in zijn artikel noemt als bevorderlijk voor integratie, zijn dat eenmaal opgezette instituties hun macht willen laten expanderen, dat de leiders en het volk op nieuwe terreinen integratie wensen als zij succes zien in andere, en dat transnationale elites en belangengroepen gemeenschappelijke standpunten en belangen ontwikkelen. De douane-unie leidde naar de ene markt, de ene markt naar een monetaire unie en alles tezamen leidt naar een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek.

Maar bij die laatste stap maakt Gordon een voorbehoud. De lidstaten zijn pas bereid tot het afstaan van soevereiniteit als zij verwachten hun belangen beter in gemeenschap te kunnen verdedigen dan op eigen kracht, dan wel constateren dat die belangen nagenoeg samenvallen. Dat is bij het buitenlandse en veiligheidsbeleid niet het geval. Op dat terrein voorzien de staten dat de kosten van integratie hoger zullen zijn dan de potentiële baten.

Gordon heeft meer dan 25 'gemeenschappelijke posities' geteld (van de relaties met Libië tot de problemen in Oost-Timor), er worden per week ruwweg twee gemeenschappelijke verklaringen afgelegd, en er zijn een drie dozijn 'gezamenlijke acties' ondernomen (zoals het bestuur van de Bosnische stad Mostar). Maar daar staan eenzame ondernemingen van lidstaten tegenover. Frankrijk intervenieerde in 1994 in Rwanda, besloot tot een serie nucleaire proefexplosies, en zond in 1996 eigenhandig een hoge vertegenwoordiger naar Libanon om te bemiddelen in een crisis met Israel. Griekenland legde een paar jaar geleden Macedonië een embargo op. Het Verenigd Koninkrijk steunde in 1996 als enige lidstaat Amerikaanse luchtaanvallen op Irak. Frankrijk en Duitsland zagen vorig jaar af van de gebruikelijke gemeenschappelijke veroordeling van China wegens schending van de rechten van de mens. En ook de Italiaanse interventie in Albanië was een markant voorbeeld van het gebrek aan samenhang in de Unie.

Ook de huidige verdeeldheid over de aanpak van Irak zou hieraan kunnen worden toegevoegd. Maar die werd pas goed zichtbaar nadat Gordon zijn artikel had ingeleverd.

Als de lidstaten het al eens zouden kunnen worden over een optreden naar buiten toe, ontbreken hun de middelen, meent Gordon. Alleen Groot-Brittannië en Frankrijk hebben het vermogen om middelgrote militaire operaties (tienduizend man) buiten het verdragsgebied te ondernemen. Niets wijst erop dat de Europese staten bereid zijn iets te doen aan hun militaire afhankelijkheid van de VS. De VS besteden jaarlijks 266 miljard dollar aan hun verdediging, de lidstaten van de West-Europese Unie (WEU, de sterke arm van de EU) komen niet verder dan 173 miljard. De Fransen zijn bezig met een ingrijpende reorganisatie van hun strijdkrachten, maar tegelijkertijd snijden zij voor de komende zes jaar 20 miljard dollar uit hun defensiebegroting. Projecten voor grote transportvliegtuigen, voor transport- en aanvalshelikopters en voor waarnemingssatellieten lopen het risico geheel of gedeeltelijk te worden ontmanteld. Een programma voor het ontwikkelen van een onafhankelijke middelgrote interventiemacht zou ten minste 30 miljard dollar extra vergen.

De Europeanen hebben een cultuur van afhankelijkheid op veiligheidsgebied ontwikkeld, meent Gordon. Twee jaar geleden besloot een NAVO-top in Berlijn tot de optie van interventies door de WEU, zo nodig met steun van de NAVO. Maar, schrijft Gordon, ook de NAVO beschikt nauwelijks over de middelen die nodig zijn om een militaire operatie buiten het bondgenootschappelijke gebied voor langere tijd vol te houden. Die middelen zijn nagenoeg exclusief Amerikaans bezit.

Daarmee beschikt Washington praktisch over een vetorecht. De Amerikanen zullen geen WEU-operatie goedkeuren wanneer het risico bestaat dat zij vervolgens als reddingsbrigade zullen moeten optreden. Zoals in Bosnië het geval was.

Als de Joegoslavische crisis aan Europa's periferie niet voldoende was om de Europese Unie te bewegen een gemeenschappelijk veiligheidsbeleid te ontwikkelen en tot militaire integratie over te gaan, wat is er dan nodig, vraagt Gordon zich af. Die vraag kan ook worden gesteld na de hernieuwde uitdaging van Saddam Hussein. Dat de Europese landen, vereend of verdeeld, belang hebben bij de gang van zaken in het Golfgebied staat buiten twijfel. Dat een diplomatieke oplossing de voorkeur verdient boven een militaire, daarover bestaat geen verschil van mening, niet binnen de EU, niet binnen de NAVO en niet binnen de VN. Maar het gegeven dat de Unie als het erop aankomt niet voor zichzelf kan zorgen, ondermijnt bij voorbaat haar gemeenschappelijke positie èn die van haar afzonderlijke lidstaten. Tegenover alle andere mogendheden die aan de Golf een rol spelen.