André Gide (1869-1951); Een nonconformist die maar niet werd verlaten

Pierre Lepape: André Gide. Le messager. Seuil, 511 blz. ƒ 59,75

'Ik schrijf slechts om te worden herlezen', bekent André Gide (1869-1951) ergens in zijn dagboek. Het is de vraag of hij het nog altijd wordt. Lange tijd gold hij, naast Joyce, Proust, Kafka, Musil en Thomas Mann, als een van de belangrijkste modernisten, maar tegenwoordig lijkt die reputatie - ondanks de Nobelprijs in 1947 - verstard tot niet veel meer dan een hoofdstuk in de literatuurgeschiedenis. Zeker in Nederland, waar Du Perron en Ter Braak hem bewonderden en Nijhoff, Marsman, Bloem en zijn vriend Jef Last hem vertaalden, is hij goeddeels uit het zicht verdwenen. De vertalingen liggen niet meer in de boekhandel en zelfs in het Privé-Domein van De Arbeiderspers ontbreekt een selectie uit zijn omvangrijke Journal.

In Frankrijk is de situatie minder zorgwekkend. De afgelopen jaren verscheen een nieuwe - en nu integrale - editie van Gides dagboeken in de Pléiade, zeer onlangs gevolgd door een nieuwe biografie (André Gide. Le messager) van Pierre Lepape. Vreemd genoeg is Lepapes biografie de eerste die het hele leven van Gide bestrijkt. Eerder zijn er alleen deel-biografieën gepubliceerd, zij het soms zeer uitvoerige, zoals de driedelige biografische studie van Auguste Anglès over Gides betrokkenheid bij de Nouvelle Revue Française in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog.

Aan kennis bestaat dus geen gebrek, net zo min als aan materiaal. Gide was zijn leven lang een fanatiek briefschrijver, en niet alleen zijn dagboek maar in feite zijn hele oeuvre valt te beschouwen als één veelzijdig zelfportret. Weinig schrijvers hebben zich met zoveel aandacht en openhartigheid gebogen over hun eigen innerlijke roerselen, waardoor er voor een biograaf niet veel anders meer te doen lijkt dan de zaken nog eens op een rijtje te zetten.

Lepape heeft dat laatste bijna letterlijk gedaan, door aan elk jaar van Gides leven een apart hoofdstuk te wijden. Toch ontkomt zijn biografie aan het soort hogere boekhoudkunde, waartoe sommige van zijn collega's hun toevlucht nemen uit angst om ook maar één feitje over te slaan. Lepape durft te kiezen en heeft een intrigerende vraag tot inzet van zijn levensbeschrijving gemaakt. Van Gide mag dan bijna alles bekend zijn, raadselachtig blijft niettemin de geweldige invloed die hij op achtereenvolgende generaties heeft weten uit te oefenen, als geestelijk leidsman en als publiek geweten.

Vooral in de jaren twintig en dertig speelde Gide, in Frankrijk maar ook daarbuiten, een rol die alleen kan worden vergeleken met die van Voltaire in de achttiende en die van Victor Hugo in de negentiende eeuw. Een rol die, bij alle drie overigens, niet beperkt bleef tot de literatuur maar ook de politiek omvatte. In het geval van Gide heeft de politiek grofweg drie facetten gekend: de homoseksualiteit, de koloniale wereld en het communisme.

Politieke pederastie

In 1924 publiceerde hij Corydon, een verdediging in dialoogvorm van de 'pederastie', wat meer dan een kwart eeuw na het proces tegen Oscar Wilde nog altijd een moedige daad mocht heten. In zijn autobiografie Si le grain ne meurt, eveneens uit 1924, deinsde Gide er bovendien niet voor terug ook uitvoerig in te gaan op zijn eigen eerste homoseksuele ervaringen in Noord-Afrika. Een jaar later vertrok hij met zijn jonge vriend Marc Allégret naar Frans Equatoriaal Afrika en schreef na terugkeer twee verontwaardigde reisverslagen (Voyage au Congo en Le retour de Tchad) over wat hij daar aan misstanden had aangetroffen.

Het communisme duikt voor het eerst in 1931 op in Gides Journal, wanneer hij de wens uitspreekt lang genoeg te leven om het succes van 'le plan de la Russie' te mogen meemaken. Een jaar daarna blijkt hij bereid indien nodig zijn leven voor dit succes te geven. In de praktijk stelde hij vooral zijn tijd en reputatie beschikbaar, met als hoogtepunt zijn prominente deelname aan het eerste schrijverscongres voor de verdediging van de cultuur in 1935. Een bezoek aan de Sovjet-Unie - in de zomer van 1936 - was ervoor nodig om zijn enthousiasme weer te bekoelen.

In zijn Retour de l'URSS zingt Gide niet, zoals de meeste fellow travellers van die dagen, de lof van het arbeidersparadijs, maar hij beschrijft simpelweg wat hij heeft gezien: conformisme, onvrijheid, Stalin-verering, armoede en onderdrukking van de homoseksuelen. Voorspelbare verwijten dat hij zo de fascistische vijand in de kaart speelde, worden bij voorbaat van de hand gewezen met het argument dat de waarheid hem altijd nog dierbaarder is dan de Partij.

Het maakte Gide nog meer omstreden dan hij al was. Alleen kwam de tegenstand nu niet meer uitsluitend van rechts, zoals na zijn homoseksuele apologie en zijn aanval op het kolonialisme, maar ook van links. Behalve een 'bederver van de jeugd' en een vijand van vaderland en gezin, bleek hij nu tevens een 'Gestapo-agent' te zijn. Zelfs na de Tweede Wereldoorlog kreeg hij nog op zijn kop van de communistisch geworden surrealist Aragon, die hem zijn zwijgen tijdens de bezetting verweet, maar hem in werkelijkheid zijn ontmaskering van de Sovjet-Unie niet kon vergeven.

Volmaakt ongeschikt

Gides internationale bekendheid werd door dit alles zeer bevorderd, zozeer zelfs dat het communistische engagement en de daarop gevolgde kritiek het zicht op zijn schrijverschap enigszins hebben vertroebeld. Lepape herinnert er terecht aan dat Gide, toen hij het oog van de wereld ving, al in de zestig was en een hele literaire carrière achter de rug had. En die literaire carrière had beslist niet in het teken gestaan van engagement en politiek.

Ook tijdens zijn communistische periode heeft Gide trouwens altijd beweerd 'volmaakt ongeschikt' te zijn voor het politieke bedrijf. Zijn bekommernis gold in de eerste plaats de literatuur, en daarvan week hij ook in de jaren dertig niet af. Een van zijn belangrijkste bezwaren tegen de Sovjet-Unie was juist het ontbreken van iedere literaire vrijheid. Literatuur en revolutie streefden in zijn ogen hetzelfde doel na, maar dat mocht niet betekenen dat de literatuur zich in dienst had te stellen van de revolutie.

Met zijn verdediging van de literaire autonomie bleef Gide trouw aan zijn literaire wortels, die bij het symbolisme van de late negentiende eeuw liggen. Na zijn debuut in 1891 (Les cahiers d'André Walter) was hij in de kring rond Mallarmé terecht gekomen en daar gold de literatuur als iets voor ingewijden, dat zoveel mogelijk van het grote publiek diende te worden afgeschermd. Gide omarmde niet de cultus van l'art pour l'art, maar de literatuur was voor hem wel zoiets als een vrijplaats, waar zijn zeer persoonlijke worsteling met moraal en religie kon plaatsvinden.

Als enige zoon van rijke, protestantse ouders had hij een extreem puriteinse opvoeding genoten, en de rest van zijn leven bestond uit een ononderbroken poging om daarmee in het reine te komen. Van jongs af aan gekweld door schuldgevoelens, vooral ten aanzien van het 'vlees', maar ook gedreven door een calvinistische hang naar bekentenis en eerlijkheid, gebruikte hij de literatuur als een geprivilegieerd middel om zichzelf te leren kennen en zijn ware ik te verwezenlijken. Kunst en leven zijn bij Gide niet van elkaar los te zien: hij leefde om te schrijven en zijn leven moest zijn meest geslaagde kunstwerk worden.

Onder invloed van met name Nietzsche wist hij te ontsnappen aan de doem van het calvinisme, maar ook zijn latere humanisme bleef altijd sterk religieus gekleurd. Zijn katholieke vrienden hebben daarom nooit de hoop opgegeven dat het nog eens tot een bekering zou komen, al werd hun geduld danig op de proef gesteld door weinig eerbiedige romans als L'immoraliste (1902) en Les caves du Vatican (1914), waarin Gide zijn meer wereldse neigingen cultiveerde. Daartegenover staat weer een roman als La porte étroite (1909), geïnspireerd door zijn vrome nichtje Madeleine met wie hij in 1895 een platonisch huwelijk had gesloten.

Wroeging

In zijn werk was Gide een man met vele gezichten of maskers, vol twijfel, gewetenswroeging en ambiguïteit, die echter vanwege zijn vaak pijnlijke openhartigheid voor de kleine kring van getrouwen die zich rond hem had verzameld tegelijk een voorbeeld kon zijn, een ijkpunt voor hun eigen morele en spirituele queeste. Pas na de oprichting van de Nouvelle Revue Française in 1909 bleek dat hij deze functie ook voor een groter publiek kon vervullen. Het tijdschrift (waaruit nadien de uitgeverij Gallimard zou voortkomen) werd met jonge auteurs als Giraudoux, Martin du Gard, Larbaud, Rivière, Alain-Fournier en Saint-John Perse een geduchte macht in de Franse literatuur, een modernistisch bolwerk dat zich - net als zijn peetvader Gide - bij voorkeur boven de partijen en los van de officiële instituties opstelde.

Pierre Lepape ziet vooral in deze onafhankelijke, nonconformistische, bijna aristocratische opstelling de bron van Gides succes bij de jongeren. Hoewel Gide al in Les nourritures terrestres (1897) zijn toen nog afwezige volgelingen had toegeroepen 'Quittez moi', bleken maar weinigen bereid deze raad op te volgen. In de ontreddering en politieke richtingenstrijd na de Eerste Wereldoorlog was Gides eigenzinnigheid voor menigeen een aantrekkelijk alternatief, getuige de talloze brieven waarin hij om raad en steun werd gevraagd en de vele bewonderaars die met hem in contact wilden komen. In Lepapes biografie wordt aan deze veelal anonieme schare helaas niet veel aandacht besteed, maar wie een indruk wil krijgen van de verering die Gide destijds omringde doet er goed aan Le sabbat te lezen, de autobiografie van Maurice Sachs, voor wie Gides werk zoveel als een seculier evangelie betekende.

Zo'n aan adoratie grenzende bewondering suggereert meteen wat Gide allemaal op het spel zette, door zich in de jaren twintig en dertig voor het eerst wèl met de politiek in te laten. Want lang niet iedereen was bereid om hem ook dáárin te volgen. Gide had, kun je zeggen, zijn eigen raad serieus genomen en wenste niet de gevangene te worden van eenmaal ingenomen posities. Meningen waren er om te worden herzien, als de waarheid dat vereiste. Zijn opvatting van verantwoordelijkheid gold in de eerste plaats zijn persoonlijke integriteit, die hem (toen hij de tijd daarvoor rijp achtte) dwong tot een publieke bekentenis van zijn homoseksualiteit en daarna tot een onthulling van wat hij in de koloniën en in de Sovjet-Unie met eigen ogen had gezien.

Iemand die dat wist te waarderen was Jean-Paul Sartre, door wie Gides rol van publiek geweten na de Tweede Wereldoorlog min of meer werd overgenomen. Hoewel hij Gides veroordeling van het communisme allerminst deelde, zong hij na de dood van zijn voorganger in 1951 onbekrompen diens lof, waarbij hij in het bijzonder Gides mengeling van voorzichtigheid en durf 'exemplarisch' noemde. 'De generositeit is slechts te waarderen bij hen die de prijs der dingen kennen', schrijft Sartre en daarop valt, wat Gide betreft, niet veel af te dingen.

Wie er in deze tijd vol 'onverwerkt verleden' een aanleiding in ziet om Gides werk te herlezen, krijgt van mij geen ongelijk. Maar het zou, zoals Lepape tussen de regels van zijn stimulerende biografie betoogt, jammer zijn wanneer alleen de geëngageerde intellectueel van de jaren twintig en dertig daarvan profiteerde. Als schrijver heeft André Gide, bijvoorbeeld in zijn schitterende en meest modernistische roman Les faux-monnayeurs (1925), nog veel meer te bieden.