Albert Camus: L'Homme révolté, 1951

Albert Camus: L'Homme révolté. Folio/Gallimard.

Op 7 maart 1951 noteerde de Algerijns-Franse schrijver Albert Camus in zijn dagboek: 'De laatste hand gelegd aan de eerste versie van L'Homme révolté. Met dit boek worden de twee eerste cycli voltooid. 37 jaar. Kan er nu vrij scheppend werk komen?'

Zijn al op zeer jonge leeftijd doordacht opgebouwde cycle des absurdes bestond uit de roman L'étranger (De vreemdeling, 1942), het toneelstuk Caligula (1944) en het essay Le mythe de Sisyphe (1942). Drie indringende, later ook alom erkende en vertaalde meesterwerken van een 28-jarige die was opgegroeid tussen analfabeten in een achterbuurt van Algiers. De eveneens weloverwogen tot stand gekomen cycle des révoltes, die er op volgde, werd gevormd door de roman La peste (1947), het toneelstuk Les justes (De rechtvaardigen, 1949) en het grote essay dat hijzelf als zijn belangrijkste publicatie bleef beschouwen: L'Homme révolté (De mens in opstand, 1951).

Albert Camus (1913-1960) was zijn studies voor dit boek begonnen in januari 1947, toen zijn arts hem wegens tuberculose een rustkuur in de bergen had voorgeschreven. Een week later wanhoopte de schrijver al aan deze 'waanzinnigste ambitie'. Maar van opgeven was geen sprake. In het thema 'révolte' zocht hij verder naar antwoord op de absurditeit van het bestaan, waaraan zijn eerste werk was gewijd, en bezon hij zich op zijn maatschappelijke, journalistieke en politieke ervaringen in het vooroorlogse Algerije, gedurende het ondergrondse verzet in het door de Duitsers bezette Frankrijk en tijdens de eerste jaren na de bevrijding, toen hij hoofdredacteur was van het gezaghebbende dagblad Combat. Ook morele dilemma's van hoofdfiguren uit La peste en Les justes vroegen om uitwerking.

Camus maakte studies van revolutionaire politieke denkbeelden vanaf de Franse revolutie aan het eind van de achttiende eeuw tot en met de ideologie van het Sovjet-communisme in het midden van de twintigste eeuw. Hij kenschetste het nihilisme, het niet eerbiedigen van morele grenzen bij de keuze van middelen en methoden, als oorzaak van de historische rampen in de recente geschiedenis van de Europese beschaving. Voor Camus valt dit goeddeels samen met pogingen van de mens zelf de plaats in te nemen van de van zijn hemelse troon gestoten almachtige God en een rechtvaardiging van de moord op de medemens, onder andere door God te vervangen door absolutisme omtrent de Geschiedenis. Mensen die in opstand waren gekomen voor meer vrijheid en gerechtigheid ontspoorden zo in revoluties die tot massamoord leidden.

Vergelijking tussen communisme en nationaal-socialisme waren in die tijd in feite nog taboe. Maar Camus stelde: 'Het fascisme heeft nooit gedroomd, alle mensen te bevrijden; het wilde slechts enkelen bevrijden, die de anderen konden onderwerpen. Het communisme streeft in zijn wezenlijk beginsel naar de bevrijding van alle mensen, waartoe het begint met ze allen te onderwerpen. Men kan tenminste erkennen, dat zijn bedoelingen groots zijn. Daarentegen moet men toegeven dat beide als middel aanvaard hebben een politiek cynisme, door beide aan dezelfde bron, het zedelijk nihilisme, ontleend.'

En in een lezing over zijn boek voor de vakbeweging in Saint-Étienne noemde hij 'de gestage teruggang van het socialisme van de vrijheid voor het socialisme van de tirannie en het militarisme ... de grote gebeurtenis van de twintigste eeuw'.

Hij sprak van théocraties totalitaires wegens het verband met het traditionele christendom, dat hij schetste als leer waarin 'de vergoddelijking van Jezus, het tot zwijgen brengen van diens menselijkheid', ertoe leidde dat deze ongelukkige man niet meer dan een instrument was in handen van een God voor wie het doel alle middelen heiligde.

Een belangrijk deel van L'Homme révolté is gewijd aan de morele problematiek van Russische sociaal-revolutionairen in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw, die het wapen van de terreur niet schuwden en ook in Les justes figureerden. Het stuk kan worden gezien als zijn opmaat voor de compromisloze kritiek op hun a-morele opvolgers, de bolsjeviki. In de voorhoedepartij van Lenin die in 1917 in St. Petersburg de macht greep, was geen plaats meer voor de 'rechtvaardigen' die Camus kon respecteren, omdat 'de geschiedenis weinig voorbeelden toont van fanatici die in hun strijd door zoveel gewetensbezwaren gekweld waren'.

Tijdens zijn studie van theorieën ter rechtvaardiging van het terrorisme, nam in Algerije het daadwerkelijk geweld van de nationalisten tegen de Fransen en van de Fransen tegen de Algerijnen hand over hand toe. Voor Camus, die belangrijk had bijgedragen aan de oppositie tegen het kolonialisme in zijn moederland, was de wijze waarop het Front National de Libération onder invloed van zijn rabiaat gewelddadige vleugel in opstand was gekomen ook ontaard in een 'nihilistische revolutie' die geen rekening hield met de aard van de bestaande samenleving in het land. 'Wie zijn die Algerijnen? De joden, de Turken, de Grieken, de Italianen, de Berbers?' Ook de Fransen in Algerije behoorden naar zijn opvatting tot de 'inheemsen'. Bovendien respecteerde het FLN bij zijn gewapend optreden geen morele grenzen meer en verviel het tot ongelimiteerd geweld tegen de gehele burgerbevolking.

L'Homme révolté werd niet alleen Camus' meest inspannende en omvangrijke maar ook zijn felst omstreden publicatie, vooral onder de agressieve, hooghartige Parijse intellectuelen rond Sartre, die juist op weg waren naar radicaler en actiever ondersteuning van de Sovjet-Unie onder Stalin. Camus' polemische verhandelingen, doordacht en puntig geformuleerd, zij het soms op retorische toon, bleven door deze aanvallen beplakt met laatdunkende labels als 'niet echt filosofisch' - 'niet meer dan een Rode Kruis-verhaal' - waardoor veel interessants, ook waar het om meer dan alleen het communisme gaat, onbekend of onderbelicht is gebleven.

Zijn essay bestaat ook uit een niet-academische rondgang door de geschiedenis van ideeën over verzet en revolutie die nog niet tot de rust van bezonken oordelen is gebracht. Los van de historische terugblik op de twee grote dictaturen die Europa in de twintigste eeuw heeft gekend, biedt Camus levendig commentaar op uiteenlopende onderwerpen als De Sade en Saint-Just, Hegel en Nietzsche, het christendom en Dostojevski, Rimbaud en Breton.

En wat de filosofie betreft: voor de onmiskenbare moralist Camus gold al aan het begin van zijn schrijversloopbaan: 'Men denkt slechts in beelden. Wanneer je filosoof wilt zijn, schrijf dan romans.' Later verwees hij naar Dostojevski, 'die filosoof zou zijn geweest als hij de consequenties van zijn denkbeelden niet als schrijver had geïllustreerd in het verhaal van een mens'.

Wat kwam er van na L'Homme révolté terecht van het vrije scheppend werk waarover Albert Camus in 1951 over sprak? Fragmenten van de door zijn vroege dood onvoltooid gebleven roman Le premier homme (1994), die onmiskenbaar veelbelovende trekken van een magistraal opus bevatten. De meeslepende en boeiend opgebouwde maar verwarrende schuldbelijdenis La chute (1956), die door haar, in Camus' werk zeer ongewone, innerlijke tegenstrijdigheden een afzonderlijke plaats in zijn oeuvre inneemt. En voordien een nieuwe bundel verhalende lyrische essays, L'Été (1954), met daarin L'Exile de Hélène en de passage die waarschijnlijk zuiver weergaf wat Camus' persoonlijke, met de mediterrane natuur en cultuur verbonden filosofische instelling was in de periode van de aanvallen op L'Homme révolté: 'Voor de Grieken werd ieder handelen nauwkeurig begrensd door reeds bestaande waarden. De moderne filosofie plaatst haar waarden aan het eind van het handelen - we zullen ze pas kennen wanneer de geschiedenis is voltooid. ... De openlijk erkende onwetendheid, de afwijzing van het fanatisme, de grenzen van de wereld en de mens, een bemind gezicht, en tenslotte de schoonheid, daarvoor kiezen wij partij en sluiten wij ons aan bij de Grieken.'