'Zuster, waar zijn mijn gouden medailles?'

Ids Postma en Rintje Ritsma grepen vanochtend op de 1.500 meter schaatsen net naast olympisch goud. Een mooiere prijs is er niet in de sport. Waar bewaren voormalige kampioenen hun gouden plak?

ROTTERDAM, 12 FEBR. Volleyballer Peter Blange won in zijn carrière talloze medailles. De zilveren en bronzen hangen nonchalant om de verwarmingsbuizen in de gang van zijn huis. Maar zijn gouden olympische plak van Atlanta bewaart de aanvoerder van het Nederlandse team in de kluis van zijn bank. Het is voor hem de enige prijs die er toe doet.

Twee Nederlanders wonnen ooit vier gouden medailles: atlete Fanny Blankers-Koen en ruiter Charles Pahud de Mortanges. De plakken van Blankers-Koen liggen ook veilig in een bankkluis, maar die van de overleden Pahud de Mortanges, behaald op drie verschillende Olympische Spelen (1924, '28 en '32), zijn spoorloos verdwenen. Vele jaren geleden stuurde zijn echtgenote de medailles per post naar de kleinkinderen in Canada, maar het pakje kwam nooit aan.

Zoiets wil Blankers-Koen niet meemaken. Vroeger bewaarde ze haar olympische prijzen gewoon in een schoenendoos, maar dat vindt ze tegenwoordig te gevaarlijk. Ondanks dat ze niet van goud zijn, maar van metaal met een mooi kleurtje, bewaart de voormalig atlete de plakken liever bij de bank. “Voor niemand anders dan voor mij hebben ze waarde,

maar je weet niet of er een gek rondloopt die ze wil hebben”, zegt de heldin van de Olympische Spelen van 1948. Alleen voor bezoek uit het buitenland haalt Blankers-Koen ze graag even uit de kluis. “Daarna breng ik ze snel weer terug.”

Bij een andere grote kampioene, Sjoukje Dijkstra, hangt de gouden medaille gewoon in de huiskamer, in een prijzenkastje. “Precies in het midden, samen met mijn onderscheiding van de Orde Oranje-Nassau.” Kunstrijdster Dijkstra was de eerste die voor Nederland goud won bij de Winterspelen, in 1964 in Innsbruck. ,Ik ben nog steeds trots op die medaille”, zegt ze. “Ik heb er destijds ook heel hard voor gewerkt.” Ze leent hem niet graag uit, slaat veel aanvragen beleefd af, maar af en

toe vindt Dijkstra dat ze niet kan weigeren. Zoals nu, want haar gouden plak ligt bij een tentoonstelling over Friese sporters. “Ze hebben hem keurig verzekerd. Maar dat maakt eigenlijk niets uit, want hij is bij diefstal toch niet te vergoeden.”

Dijkstra hoort weleens dat ex-sporters niet weten waar hun medaille is. “Of dat hij ergens in een keukenkastje ligt. Dat kan ik niet begrijpen.” Roeier Ronald Florijn, die op twee verschillende Spelen (1988 en '96) goud won, gelooft dat soort verhalen niet. “Het is gespeelde onverschilligheid. Ik ben zelf vrij slordig, maar ik zal nooit

vergeten waar mijn medailles zijn.'' Ook het goud van Florijn ligt in de

kluis. “Vlak na Seoul werd er bij mijn ouders ingebroken. Gelukkig lag mijn gouden plak daar toen niet.”

Judoka Anton Geesink, olympisch kampioen in 1964, is zo iemand die zegt niet te weten waar zijn medaille is. “Hij zal wel ergens in een doos liggen, tussen foto's en diploma's.” Volgens Geesink wil vooral Jans, zijn vrouw, niet dat de medaille op een speciale plek in huis komt te liggen. “Ik vind het ook overdreven om hem aan de muur te hangen. Het is al een halve eeuw geleden, ik ben het bijna vergeten”, beweert het IOC-lid.

Geesink verkocht in 1965 al zijn trofeeën en medailles en schonk het geld aan een missionaris in het Braziliaanse Belo Horizonte voor de bouw van een school. Daar zat echter de olympische medaille niet bij. “Die bied je niet zo maar te koop aan”, stelt Geesink. Ook Dijkstra en

Blankers-Koen zouden voor geen prijs hun medailles verkopen. Blankers-Koen: “Later, als ik er niet meer ben, zijn ze voor mijn kinderen. Zij mogen uitmaken wat ze ermee doen. Ik heb wel laten vastleggen dat die vier medailles altijd bij elkaar moeten blijven. Zo hoort het. Daarom heb ik er ook nooit één weggeven of aan een museum geschonken.”

Het Nederlandse Sportmuseum in Lelystad bezit vier gouden medailles, alle van vooroorlogse kampioenen. Eén is er van zwemster Rie Mastenbroek. In 1936 in Berlijn won ze drie olympische titels. Mastenbroek heeft beloofd dat de andere twee gouden plakken na haar dood

ook aan het museum worden geschonken. Museumdirecteur J. van Zuijlen zegt “een voorzichtig acquisitiebeleid” te voeren. “We vragen de sportmensen of hun kinderen niet om de medailles. Dat staat zo inhalig. We willen ze graag hebben, maar dan moet dat wel uit eigener beweging gebeuren.”

In tegenstelling tot in de tijd van Blankers-Koen en Pahud de Mortanges bestaan de huidige medailles voor een deel uit echt goud. Heel groot is de materiële waarde echter niet. Het is wat de gek er voor geeft. Met name Amerikanen zijn geobsedeerd door dergelijke sportprijzen. Florijn: “In Atlanta werd er al 80.000 dollar voor een zilveren plak geboden. Iemand van de Holland Acht liet zijn medaille destijds bij het honkbal op de tribune aan de man naast hem zien en de mensen raakten helemaal door het dolle heen. Het werd een compleet gekkenhuis, de wedstrijd moest zelfs even worden stilgelegd.”

Florijn weet niet of, als hij bijvoorbeeld in grote geldnood zou raken, de medaille zou verkopen. “Ik hecht niet zo heel erg aan die plakken. De videoband met onze beelden zegt me meer. Maar wat moet iemand met die

dingen? Ikzou het niet prettig vinden als die medailles in rare handen terechtkomen. Aan de andere kant hoeven mijn kinderen er straks ook niet

mee te gaan rondlopen. Bouw een eigen toekomst op, zou ik dan zeggen.''

Ard Schenk, die zijn drie gouden schaatsmedailles thuis in een mooie, met fluweel beklede doos heeft liggen, krijgt geen speciaal gevoel als hij ze in zijn handen heeft. “Maar misschien”, zegt de chef de mission

in Nagano lachend. “loop ik er later in het bejaardenhuis wel mee op mijn buik. Dan ben je namelijk weer terug bij de basis. En dan roep ik: 'Zuster, waar zijn mijn medailles?' Ik hoop wel dat ik dan 89 ben.”