Trou Moet Blycken

Elisabeth Eybers (geb. 1915)

Jong seun

Why were we crucified into sex? Why were we not left rounded off, and finished in ourselves?

D.H. Lawrence

Die seun klim druipend uit die bad

sy hele lyf is gaaf en glad

en heel tot in die holte van

sy nael waaroor 'n seepbel span.

Strak ledemate, ribbekas

hoekig en hard soos 'n kuras

handdoek in hand staan hy bereid

gerig en toegerus tot stryd.

Tog, onvolkome afgerond

hoe sal die lewe hom nog wond:

in sy Achilleskern vind

hy geen beskutting - man of kind:

geheg aan die benedebuik

waar blink haarrankies reeds ontluik

deuraar, teer soos 'n ooglid, sag

soos murg, hang weerloos die geslag.

Hoe het u is vergaan, lezer, weet ik niet, maar voor mij bestond er geen

Zuid-Afrikaanse literatuur - niet op school, niet in de boeken en tijdschriften, niet in de wandelgangen. Een naam hoorde je wel eens, en misschien nog een naam, maar een beeld wilde er niet ontstaan. De literatuur van de Eskimo's en de Paparapaya's was je vertrouwder. Had die Zuid-Afrikaanse literatuur, als ze er was, een geschiedenis? Wanneer

was die geschiedenis dan begonnen? En wanneer was er een einde gekomen aan die literatuur?

De onwetendheid was geen hoogmoed, niet in het minst. Het was gewoon zo dat niemand je ergens van op de hoogte kon stellen. Stilte ontstond door

stilte. Er was geen vraag naar Zuid-Afrikaanse literatuur omdat er geen antwoord op was. Geen aanbod.

Wat ik van het Zuid-Afrikaans wist waren flarden en refreinen van kinderliedjes, zoals ik die op de lagere school dapper meezong of zoals ik die mijn moeder hoorde zingen. Mijn moeder zong ook Starings Sikkels klinken, sikkels blinken met ongelooflijk klare stem, en dat smartelijke

lied over de waterval in het stille dal, met druppels spattend overal

om ieder bloempje te besproeien zelfs 't klei-ei-ei-einste

- het is in mijn jongste jaren dat uit mijn moeders strottenhoofd, dat

tot op hoge leeftijd helder bleef, hoewel allengs met meer tremolo's, en

dat nu is verzwolgen door aarde en maden, mij zulke regels toewoeien als

O bring my trug na die ou Transvaal Daar waar my Sarie woon

- een tekst die ik kon nalezen in de liedjesbundels die, met Little Richard en Annie M.G. Schmidt, aan de basis hebben gestaan van wat ik maar mijn poëtische ontwikkelingsreis noem. Kun je nog zingen, zing

dan mee! of Jan Pierewiet, een van die twee.

Het bleef een vreemd element in je bewustzijn, de Zuid-Afrikaanse taal met haar schijnbaar eigen mentaliteit - een beetje droevig en een beetje

spottend tegelijk. Ze was er wel maar het drong niet tot je door. Blinde

vlek. In mijn middelbare-schooltijd had je ineens een paar bundels bij Van Oorschot, met die stofomslagen van Helmut Salden, bundels van Dirk Opperman, N.P. van Wyk Louw en - toen al - Elisabeth Eybers. Van die drie bleef alleen Elisabeth Eybers in druk en dus in het geheugen. Ze bleef er als eenling. Er ontstond geen tastbare vorm van een meerkoppig iets.

O ja. Breyten Breytenbach kwam in de jaren zeventig even langs. Maar die

was hors concours, want die had in de gevangenis gezeten. Dan telde je overal en altijd mee.

Elisabeth Eybers. Ze ontwierp dus een eigen taal, zoals elke dichter. Ze

is de enige die in haar eigen taal schrijft, zoals elke dichter. Ze laat

die taal verwijzen naar een niet-bestaand land, een droomland, zoals elke dichter. Het ontwerpen van een eigen taal loonde alleen al voor een

gedicht als Jong seun de moeite.

Ik dacht dat het een eigenschap was van mijn moeders stem, dat ijle, dat

eenlettergrepige, dat schrijnende. 'Sy het in die wyk van die Mooi-rivier gewoon.' Nu weet ik dat het een eigenschap is van Elisabeth Eybers taal. Dat kale en toch zo soepele, die kruising tussen angst en sarcasme het lijkt een taal, geschapen voor de poëzie.

Jong seun - uit de bundel Neerslag (1958) - gaat over onschuld en de verbittering over het onontkoombare verlies van onschuld. De zoon die met een zeepbel over zijn navel gespannen uit bad stapt, 'strak ledemate, ribbekas hoekig', z'n martiale houding en dan de benedenbuik waarop wordt ingefocust en waaraan 'dooraderd, teer als 'n ooglid, zacht

als merg, weerloos het geslacht hangt' - zó ziet een beeld er uit

dat een leven lang met je meereist. Niet alleen het geslacht is weerloos, ook de jongen zelf zal er weerloos tegen zijn.

Naaktheid, seksualiteit, schuld, kinderlijf, demon - wat is, vergeleken bij dit gedicht, het lawaai dat nu over al die dingen wordt gemaakt weerzinwekkend. 'Verhandelbaar, goedkoop en glad.'

Ik wil morgen naar Zuid-Afrika.