Research; Hoogbegaafd en wereldvreemd

Research staat bij Philips op hoog niveau. Maar de resultaten leiden lang niet altijd tot commerciële successen.

BEGIN VORIG JAAR hield Intel de beurs voor de gek. Technici van 's werelds grootste chipfabrikant sloten een bureaucomputer aan op de waterleiding. Door de waterkoeling was de Pentium II microprocessor, het

rekenhart van de pc, bijna 50 procent sneller. Prompt stegen de koersen van Intel.

Iedereen met een beetje kennis van techniek wist echter dat dit kunstje niets bijzonders was. Elke chip kan in een hogere versnelling worden gezet, mits hij zijn warmte kwijt kan. De financiële analisten die zich in San Francisco rond de pc schaarden, hadden daar echter geen sjoege van.

Dergelijke shows van Amerikaanse high tech-bedrijven staan in schril contrast met de verlegen manier waarop Philips Research zich presenteert. Het is eigenlijk al heel wat dát de medewerkers hun vondsten presenteren. Sinds kort doen ze dat van tijd tot tijd op een internationale persdag. Maar hoe boeiend zo'n dag ook is, veel onderwerpen blijven achter de schermen. Resultaten die in technisch opzicht prachtig zijn maar om economische redenen niet van de grond komen, zoals de blauwe miniatuurlaser of het platte scherm Zeus, laten ze in Eindhoven liever niet zien.

Half werk verschijnt ook niet op het toneel. Vorig jaar juni werd duidelijk dat een plastic chip van onderzoeker D. de Leeuw van het Natuurkundig Laboratorium werkte: het stukje kunststof kon vijftien enen

en nullen onthouden. Dit soort chips zijn in de toekomst voor een cent te maken en kunnen net als barcodes op verpakkingen worden gedrukt. Geheel automatisch afrekenen op afstand in supermarkten is er wellicht mee mogelijk. Maar De Leeuw hield zijn vondst verborgen, omdat hij eerst

voor 100 procent zeker wilde weten of zijn chip het zou doen.

Van het kaliber-De Leeuw lopen er op het 'Natlab' - de koosnaam van het Eindhovense Natuurkundig Laboratorium - tientallen rond. Dit bonte gezelschap getalenteerde onderzoekers is nog steeds de kracht van Philips' R&D (research en development). Toen een researchmedewerker van het Natlab enkele jaren geleden het Japanse bedrijf Matsushita bezocht, zag hij daar tot zijn verbazing bordjes hangen met de oproep: dare to be

creative. Dat hoeven ze in Eindhoven niet te zeggen. Het Natlab is van nature een inspirerende omgeving. Wetenschappers kunnen er beschikken over de meest geavanceerde apparatuur. Ze kunnen het zo gek niet bedenken of hun technische werkplaats is in staat het te maken. Experts op de meest uiteenlopende gebieden zijn op loopafstand bereikbaar.

Engineering delight, zo verwoordde Natlab-onderzoeker dr. P. Kramer, een

van de grondleggers van de compact disc, het bij zijn afscheid in 1989. Eind 1996 schrapte Philips nog 145 banen op het Natlab, maar ondanks alle moeilijke carrièreperspectieven en slechte berichtgeving is het lab de meest begeerde werkgever voor fysici. Medewerkers reppen van een grote collegialiteit. Dat zou een groot verschil zijn met de universiteiten. “Niets wordt verborgen gehouden. De sfeer is open, mensen die hier komen werken vinden het een verademing”, zegt een medewerker. Maar de cultuur is ook zeer Nederlands. Niemand durft zijn hoofd boven het maaiveld uit te steken. Te veel opvallen geeft scheve ogen, vertellen medewerkers .

Hoe ingenieus ook, de afdelingen van Philips Research ontkwamen in de jaren tachtig en negentig niet aan bezuinigingen. Drie van de acht labs waarover de organisatie wereldwijd beschikte, werden gesloten. Van de 4.000 medewerkers zijn er nu nog ruim 3.000 over. Daarvan werken er nog slechts weinigen aan werkelijk nieuwe, fundamentele zaken.

Onderzoek moet resulteren in concrete producten. In het Natlab, jarenlang een bolwerk van fysici, verschuift de nadruk steeds meer naar software en elektronica. Inmiddels werken er bij Philips Research zelfs meer mensen aan de ontwikkeling van software dan aan materialen. Andere laboratoria, zoals dat van Siemens in München, tonen dezelfde trend. C. Weyrich, hoofd van Siemens' researchactiviteiten en lid van de

raad van bestuur van dit bedrijf: “Het is de sleuteltechnologie voor de

toekomst.'' Maar de concentratie op concrete producten brengt ook risico's mee. Niemand kan zeggen of zich tussen de basispatenten die Philips nu genereert over tien jaar klassiekers zullen zitten als die op

het gebied van cd's en chipproductietechnologie.

Het gevaar is dat de zoektocht naar echt nieuwe dingen in de verdrukking

komt. In het verleden zou men in Eindhoven met flinke teams aan frivole onderwerpen hebben gewerkt als buckyballs (voetbalachtige kooistructuren

van koolstofatomen). Maar hobbykamertjes zijn tegenwoordig sporadisch. De echt 'gekke' Natlab'ers die er tien jaar geleden rondliepen, zijn verdwenen. Vaak zochten ze hun heil bij universiteiten. Supergeleiding was zo'n beetje het laatste project met een stevige fundamentele basis. Het werd in 1990 afgesloten. Natlab probeert bij het fundamenteel onderzoek wel de vinger aan de pols te houden door samenwerking met diverse universiteiten.

Het Eindhovense natuurkundelaboratorium kan nog steeds de wonderlijkste dingen laten zien. Zoals een videoband die in luttele seconden van voor naar achter spoelt. Of een beeldsensor voor satellietcamera's, met een diagonaal van 15 centimeter de grootste ter wereld. “Als een kind in een speelgoedwinkel”, voelde Frank Carrubba zich in Philips' laboratoria toen hij net in Eindhoven was aangekomen. Carrubba had zojuist de bezem door de Corporate Research-afdeling bij Hewlett-Packard

gehaald en moest in 1990 bij Philips research en technologie opnieuw vormgeven. “Ze waren met zó veel prachtige technologieën bezig, dat ze nog jaren vooruit konden”, vertelt hij in het boek Let's make things better van Marcel Metze.

Arthur D. Little Inc. bevestigde in 1996 Carrubba's indruk. Het bureau vroeg toen honderd R&D-managers naar hun mening over de technologische reputatie van Europese bedrijven. De Eindhovense researchpoot kwam na ABB en Siemens op de derde plaats. Philips bleek een uitstekende naam te

hebben op het terrein van technologische vernieuwing. Dat lijkt een blijvende sterkte. Een medewerker van Microsoft die vorig jaar het researchlab in Briarcliff, New York, bezocht (waar Philips aan digitale tv werkt) zegt: “Philips heeft alle technologie in huis om terug te keren op het wereldtoneel.”

Maar Philips heeft die potentie al decennialang. Peter Clarke, de Europese correspondent van het Amerikaanse vakblad Electronic Engineering Times, beschrijft het als een ziekte van alle Europese elektronicalaboratoria. “Hoog kwalitatief onderzoek heeft in het verleden geen winnende producten of bedrijven opgeleverd. (...) Maar”, zegt hij, “je kunt voor hetzelfde geld beargumenteren dat het bedrijven

als Siemens, Philips en SGSThomson heeft behoed voor de ondergang.''

Europa is op veel gebieden in de high-techwereld een geïsoleerd eiland. Het is niet de markt waar consumenten gretig nieuwe snufjes kopen, zoals in Japan en de VS. De ingenieurs van Philips hebben daardoor geen contact met de markt. Een veelgehoorde uitdrukking is dat zij in Dommelvalley leven, genoemd naar het Brabantse riviertje de Dommel dat over het Natlab-terrein stroomt. “We leven in Eindhoven in een isolement”, zegt een van hen. “Philips-medewerkers krijgen 's avonds in de kroeg niet te horen wat consumenten willen.”

Slechts weinigen hebben het geluk hun researchwerk op de winkelschappen terug te zien. Onderzoekers moeten vooral goed kunnen incasseren. Soms werken ze tien jaar lang met ogenschijnlijk succes aan een project dat vervolgens wordt stopgezet. Zelfs Kramer, als grondlegger van de cd een van de meest succesvolle Philips-researchers, sprak daarvan. “Het werk van een researcher is sowieso frustrerend”, zei hij bij zijn afscheid. “De meeste vliegers die hij oplaat, komen snel naar beneden. De opbrengst is gering.”

Philips krijgt vooral de timing om nieuwe technologie naar de markt te brengen maar niet in de vingers. Vroeger was de marketing van technische

snufjes eenvoudig. Het Natlab bedacht iets en de 'commerciële jongens' duwden het vervolgens door de strot van de consument. Maar in Eindhoven hebben ze nog steeds niet goed in de gaten hoe rap dit is veranderd. Geen wonder dat president-directeur Boonstra naar Amsterdam wil om Philips-mensen een venster op de wereld te verschaffen.

Philips Research heeft nog altijd de toekomst in huis. In Eindhoven ligt

de sleuteltechnologie klaar voor producten tot ver na de eeuwwisseling. Technieken voor een buzzer of pieper ter grootte van een knoop, de ingrediënten voor videozaktelefoons en de technologie om interactief tv-kijken via Internet en een gewone telefoonkabel mogelijk te maken, het is er allemaal.

Of al dit lekkers ook op de markt een succes zal worden, ligt aan de marketing en de productdivisies. Vorige week, op een research- and strategy-meeting, stak Boonstra zijn R&D-mensen nog een hart onder de riem: “Als marketing op hetzelfde niveau komt als technologie, dan kunnen we pas echt een winning and growing company worden.”