Oral history

Ontbijten doe ik uitsluitend in bed en televisie kijk ik alleen 's avonds. Dit verklaart waarschijnlijk dat het mij tot voor kort was ontgaan dat er in Amerika zoiets als 'ontbijttelevisie' bestaat. Maar dat is zo en die programma's bestaan, zo begrijp ik, uit wat in de media altijd met de hendiadys 'Nieuws en actualiteiten' wordt aangeduid: berichten en gebabbel dus.

Aangezien het geslachts-, drift- en liefdesleven van de Amerikaanse president Clinton de laatste tijd, om zo te zeggen, op ieders lip is, valt het te begrijpen dat dit onderwerp ook in de ontbijtrubrieken werd besproken. Zo werden de Amerikaanse vroege vogels bij hun orange juice en cornflakes verrast met geleerde en gedetailleerde beschouwingen over de eigenaardige vraag of orale seks, seks is.

Ben ik de enige die denkt dat de all American family zich daar toch wat ongemakkelijk bij moet hebben gevoeld? Zouden veel ouders niet hebben gedacht dat dit minder gewenste ontbijtkost voor de kleinen is? En zouden de kids op hun beurt niet hebben gevreesd dat zij straks ook nog aan hun ouders zouden moeten uitleggen waar het programma over ging, omdat het immers even onwenselijk als ondenkbaar is dat de saaie, bejaarde mensen die zij als ouders hebben getroffen met deze materie vertrouwd zijn? Waarschijnlijk wel en ik vermoed dan ook dat dit een van de weinige ochtenden is geweest dat ouders en kinderen gelijkelijk hebben betreurd dat zij het gesprek niet tijdig op het vervelende, maar vertrouwde, onderwerp van huis- en proefwerk hebben gebracht.

Ook diegene die niet in Amerika woont en geen ontbijttelevisie bekijkt, bleef overigens weinig bespaard. Het eerdergenoemde vraagstuk was voorwerp van uitgebreide beschouwingen op de voorpagina's van de kwaliteitskranten. Ik denk dat dit veertig, vijftig jaar geleden niet het geval zou zijn geweest. De zogenaamde seksuele revolutie heeft dus ook hier haar heilzaam werk gedaan en er is kennelijk veel veranderd.

Ik herinner mij van de middelbare school dat Vondels regels, “De felle Doot, die nu geen wit magh zien, Verschoont de grijze liên”, enige vrolijkheid opwekten vanwege het verschonen van die grijze Lien. Ook bij Gezelle's 'Het schrijverke' werd nogal eens besmuikt gegrinnikt bij de aanhef: “O krinklende, winklende waterding, met 't zwarte kabotseken aan”. Maar om Boutens 'Goede Dood wiens zuiver pijpen' werd bij mijn weten nooit gelachen. Dat zou nu waarschijnlijk anders zijn, maar gelukkig is net op tijd het literatuuronderwijs afgeschaft.

De politiek correcte houding op dit gebied is thans ook heel anders dan in vroeger jaren het geval was. De huidige toon is er een van grote openheid maar ook, ietwat paradoxaal, van een volledig respect voor de privacy. Zo was er één wijsheid die in alle rubrieken van het type 'Reacties van kijkers' unisono en met volstrekte zelfverzekerdheid werd uitgedragen, namelijk deze: wat de president in zijn privéleven doet, is zijn privézaak. Het opmerkelijke hiervan was niet zozeer de volstrekte eensgezindheid, maar vooral de trotse en zelfvoldane toon waarop deze nieuwe orthodoxie werd verkondigd. Niemand die ook maar een ogenblik op het ouderwetse idee kwam op te merken dat de president wellicht ook op dit gebied een voorbeeld zou moeten geven.

Vroeger zou dat ongetwijfeld wel zijn gebeurd en helemaal dwaas is deze opvatting nu ook weer niet. Het is immers onvermijdelijk dat het privé-gedrag van een president voorwerp van publieke discussie is, zeker als die president, zoals in Amerika gebruikelijk is, regelmatig in beeld wordt gebracht terwijl hij met liefdevolle trots opkijkt naar zijn 'first (no pun intended) lady', met tedere zorg naar zijn dochter en met grote warmte naar zijn nieuwe, maar toch al zo trouwe, viervoeter. Het is dan ook een tamelijk vreemde ervaring om eerst dagenlang te zijn onderricht over de president en zijn spice girls en hem daarna, vergezeld van vrouw en dochter, met een bijbel onder de linker- en een dominee aan de rechterarm, na het zingen de kerk te zien uitkomen. Als je het particuliere zozeer publiek maakt, is de grens tussen publiek en privé niet scherp te trekken.

Er is dus kennelijk iets veranderd, maar de vraag is wat: de woorden of de dingen, het discours of de praktijk, of allebei? Op het eerste gezicht lijkt het eerste het meest voor de hand te liggen. Je hoeft immers de Kâmasûtra niet in de oertekst te hebben gelezen om te veronderstellen dat de mens op dit punt niet erg veranderlijk is. Hier staat echter tegenover dat historici van naam hebben betoogd dat het menselijk gedrag ook in het privéleven aan verandering onderhevig is. Geboorte en dood zijn van alle tijden, maar de beleving ervan verschilt van tijd tot tijd. Ouders en kinderen zijn ook van alle tijden, maar volgens sommigen was het kind vroeger geen kind in onze zin van het woord, maar een kleine volwassene. Ook 'het kind' zou dus een historisch verschijnsel zijn, een uitvinding van de beschaving.

Zo kennen wij ook de notie van een 'victoriaans tijdvak', waarin de seksualiteit werd verstopt, verborgen, onderdrukt. Betekent dit alleen dat er toen niet over kon worden gesproken, maar de praktijk hetzelfde was als nu? Dat zou kunnen. Maar wat dan te denken van koningin Victoria's beroemde advies aan de jonggehuwde vrouw: 'Close your eyes and think of England'? Dat wijst toch eerder op een verschil in de praktijk.

Het gaat hier om een onderwerp waarover het bij uitstek moeilijk valt te generaliseren, want - net als nu - zullen de gedragingen en belevenissen niet alleen per individu hebben verschild, maar ook naar sociale en godsdienstige achtergrond en natuurlijk naar gender. En even moeilijk als het is hierover te generaliseren, is het de bronnen en informatie op dit gebied te interpreteren.

Ongetwijfeld zou er veertig, vijftig jaar geleden aan de ontbijttafels vaker en vuriger zijn gebloosd dan nu bij berichtgeving als die van de laatste weken. Maar of dit betekent dat voor de kijkers en lezers van toen het pad van de presidentiële priapische preferenties en preoccupaties een terra incognita was of dat men slechts gehoor gaf aan de wijze raad uit Couperus' De stille kracht, 'Beter niet over praten', dat weten wij niet.

Zelfs de grote Kinsey, zo blijkt uit recent onderzoek, was niet zo goed geïnformeerd als hij pretendeerde te zijn. Het is duidelijk dat hier een belangrijk terrein braak ligt voor historisch onderzoek. De tegenwoordig ook in Europa zo populaire 'orale geschiedenis' kan hier nuttig werk doen. Binnenkort wordt in Leiden over dit onderwerp een congres gehouden met de wel zeer goed gekozen titel: The concept of beauty in oral traditions. Hopelijk is de termijn voor het indienen van papers nog niet verstreken.