Onmacht en onwil jegens woonwagens

Binnenkort wordt de Woonwagenwet afgeschaft. Maar de politiek is nog verdeeld over de vraag wat er daarna moet gebeuren en de woonwagenbewoners vrezen de onwil van de gemeenten.

DEN HAAG, 12 FEBR. De ruim honderd woonwagens in het kamp aan de Haarlemmerweg in Leiden staan dicht opeengepakt. Eigenlijk is er maar plaats voor tachtig wagens, maar omdat de gemeente “na vijftien jaar loze beloften” nog steeds geen ruimte voor nieuwe standplaatsen heeft geschapen, hebben de woonwagenbewoners het heft maar in eigen hand genomen en hebben zij er in de loop der jaren zelf twintig wagens bijgeplaatst. “Het is een beetje krap, maar wij zitten hier verder prima”, zegt C. van Esch, woonwagenbewoner van het eerste uur.

De situatie in Leiden is tekenend voor het landelijke beleid ten aanzien van woonwagenkampen. Leiden staat, net als vijftien van de zeventien nog resterende regionale kampen, op de lijst om 'gedeconcentreerd' te worden. Dat is Haags jargon voor het opheffen van grote kampen. Leiden heeft de bewoners inmiddels meegedeeld dat “er geen wagen zal worden weggesleept”. Maar staatssecretaris Tommel (VROM) ligt nog dwars, hij houdt vooralsnog vast aan de twee jaar geleden afgesproken nieuwe omvang van maximaal veertig wagens.

De landelijke regelgeving waarop de woonwagenbewoners zich nu nog kunnen beroepen, de Woonwagenwet, wordt binnenkort afgeschaft op grond van het discriminerende karakter ervan. Nu komen alleen kampbewoners of hun familieleden nog in aanmerking voor een standplaats, en dat is discriminerend, vindt een meerderheid in de Kamer. Als de wet eenmaal is afgeschaft, mogen ook niet-woonwagenbewoners een standplaats aanvragen. De woonwagenbewoners worden daarmee afhankelijk van de welwillendheid van de afzonderlijke gemeenten, en daar hebben ze, zo blijkt, weinig vertrouwen in.

Van Esch: “De zekerheden die we de afgelopen jaren hadden opgebouwd, raken we nu in één klap weer kwijt. We hebben ons na jaren protest uiteindelijk neergelegd bij een min of meer vast bestaan, tegen onze aard in. We willen liever rondtrekken, maar dat kon niet. Nu zitten we hier goed, met onze eigen sociale structuur, onze eigen kleine zorgzame samenleving, en dan wordt er weer aan de poort gerammeld. Zo blijven we de stumperds van de maatschappij.”

De Woonwagenwet werd in 1918 ingevoerd. De overheid stelde toen eisen aan grootte van de woonwagens en aan de omvang van de kampen, evenals aan het gedrag van de bewoners. Een halve eeuw later werd de Woonwagenwet verder aangescherpt. Het zogenoemde afstammingsbeginsel, waarin was vastgelegd dat alleen wagenbewoners of hun familie een standplaats mochten krijgen, werd in de wet opgenomen en er kwam een (verkapt) trekverbod. De woonwagenbewoners kregen daardoor echter sterker het gevoel een aparte groep te zijn. Discriminerend, dat wel, maar door de groep woonwagenbewoners werd dat niet als negatief ervaren.

Een delegatie van woonwagenbewoners overhandigde afgelopen dinsdag een petitie aan de Kamercommissie voor Volkshuisvesting waarin een inventarisatie is opgenomen van de knelpunten met gemeenten die volgens de bewoners te verwachten zijn bij het afschaffen van de Woonwagenwet.

Als de wet straks is afgeschaft, hoeven gemeenten niet meer automatisch een standplaats aan te bieden aan bijvoorbeeld kinderen van huidige woonwagenbewoners. Door middel van een reparatie van de op te heffen wet - wat PvdA, D66 en het CDA voor ogen staat - krijgen de ongeveer 900 woonwagenbewoners die bij het huidige deconcentratiebeleid uit de grote kampen weg zouden moeten, echter een tijdelijke voorkeursbehandeling, dit tot gedeeltelijke tevredenheid van de woonwagenbewoners.

“Het meest schrijnende is dat er binnen onze groep nu al een enorm tekort aan standplaatsen bestaat en dat de overheid nu de deur openzet voor 'burgermensen' die ook in een wagen willen wonen. Dat is toch de omgekeerde wereld. Nu worden wij gediscrimineerd”, aldus A. Offenberg, kampbewoonster uit Leiden.

In januari 1997 was er landelijk een tekort van zeker 2.350 standplaatsen, de 900 gedwongen verhuizingen incluis, en dat aantal is sindsdien alleen maar toegenomen. De overige 1.450 aanvragen komen dus van mensen die nu in een reguliere woning wonen, maar die liever een woonwagen betrekken. Het tekort van 2.350 komt overeen met 30 procent van het totaal aantal woonwagens. Algemeen wordt in de sociale huisvesting een tekort van twee procent als maximum gezien. Volgens het ministerie was het de bedoeling om vanaf 1995 jaarlijks 500 woonwagenplaatsen te creëren om aan de vraag tegemoet te komen. Die streefcijfers zijn bij lange na niet gehaald.

Een woordvoerder van het ministerie van VROM wijst op de verantwoordelijkheid van de gemeenten. “Zij zijn vrij om de subsidies van VROM naar eigen inzicht te besteden. Als zij het niet nodig vinden om standplaatsen voor woonwagens te creëren, doen ze het niet. Pas als woningcorporaties om plaatsen gaan vragen omdat zij woonwagens in de sociale huursector willen opnemen, zullen ze er mee aan de slag gaan”, aldus de woordvoerder van VROM.

Daarmee doet zich een ander struikelblok voor bij het opheffen van de Woonwagenwet: het wonen in woonwagens is verhoudingsgewijs erg duur. Woningcorporaties voelen er daarom over het algemeen weinig voor om standplaatsen in te richten. Uit onderzoek is gebleken dat de reguliere subsidie van 20.000 gulden voor sociale huisvesting bij lange na niet genoeg is om woonwagens aantrekkelijk te maken voor die vorm van wonen. Het lijkt er dan ook op dat de woonwagen in de sector van de sociale huisvesting langzaam maar zeker uit het volkshuis- vestingsbeleid zal verdwijnen.

De woonwagenbewoners hebben er inmiddels meer dan genoeg van. “Er wordt al vijftig jaar met ons gesold. Dan weer moeten we concentreren, met z'n allen in een groot kamp. Nu weer deconcentreren, in kleine kampjes. Het afschaffen van die Woonwagenwet is de grootste fout die Tommel kan maken”, zegt kampbewoner Van Esch. “We zijn hier gelukkig, we willen helemaal niet dat er miljoenen in ons geïnvesteerd wordt.”