Niek G. Ketting, de stroombaas; Het succes van een drammer

'Midden jaren tachtig behoorden de stroomtarieven in Nederland tot de hoogste van West-Europa, nu zitten we bijna op het laagste niveau.' 'Stroombaas' Niek Ketting is tevreden.

Per 1 januari nam hij afscheid als directievoorzitter van de Samenwerkende elektriciteits productiebedrijven (Sep). Volgende week beslist de Tweede Kamer over de randvoorwaarden voor zijn troetelkind: één landelijk productiebedrijf, het GPB. Of hij geen spijt heeft van zijn vertrek, juist vóór de finale beslissingen worden genomen over de fusie van de vier Nederlandse stroomproductiebedrijven tot één landelijk bedrijf? “Die keuze is altijd aan de orde: wat is het beste moment om afscheid te nemen? Voor mij is het schip ver genoeg binnengebracht. Ik heb er een rustig gevoel over, het komt goed”, zegt ir. Niek G. Ketting

(58).

Hij acht het heel begrijpelijk dat een aantal beoogde aandeelhouders van

het Grootschalig Productiebedrijf dat per 1 april aanstaande uit een fusie moet ontstaan, meer zekerheden willen over de randvoorwaarden. Die

worden volgende week door de Tweede Kamer vastgelegd in de nieuwe Elektriciteitswet van minister Wijers. Aandeelhouders zijn de distributiebedrijven, een aantal gemeenten en twee provinciebesturen: Noord-Holland en Utrecht.

“Maar op 20 december vorig jaar hebben we een historische principeovereenkomst gesloten tussen beoogde aandeelhouders en directies, na diepgaand overleg met alle partijen. Dat staat. We hebben een topman [ir. Jan Slechte, ex-president van Shell-Nederland] gevonden als voorzitter van de raad van commissarissen en er wordt hard gewerkt aan de samenstelling van een hooggekwalificeerde raad van bestuur en een

raad van commissarissen waarin zowel bedrijfseconomisch getalenteerde mensen als leden met een grondige kennis van deze sector zitting krijgen. Ik acht de fusie op 1 april nog steeds haalbaar. Er kan wat het

tijdschema betreft misschien een kleine kink in de kabel komen, maar het

GPB komt er, daar ben ik stellig van overtuigd, want iedereen ziet in dat dit het beste is voor onze klanten.''

Ketting viert nog net zijn koperen jubileum als directievoorzitter van de Sep: 12,5 jaar werkte hij in die baan, nadat hij van 1981 tot 1985 als directeur van het Gemeentelijk Energiebedrijf Amsterdam gepokt en gemazeld was geraakt in de nutssector. Toen al werkte hij hard aan omvorming van het gemeentelijk bedrijf naar een meer klantgerichte en marktgeoriënteerde organisatie.

Bij Sep trad hij aan in een periode dat de elektriciteitssector omschakelde van een 'verticale' bedrijfskolom waarin regionaal en gemeentelijk de productie en distributie van stroom aan elkaar gekoppeld

waren, naar een scheiding tussen die twee. De vrijmaking van de Europese

energiemarkt noopte ook tot nauwere samenwerking, schaalvergroting en bedrijfseconomische optimalisatie in de sector.

“In 1985 werd het eerste concept voor de Elektriciteitswet-1989 door EZ

geschreven, die daar een kader voor moest vormen”, zegt Ketting. “Minister Van Aardenne was een geharnast voorvechter van wat hij noemde

Protrans, een landelijk productie- en transportbedrijf voor elektriciteit. Daar lag mijn hart óók, maar het was toen niet haalbaar. We sloten een compromis en gingen van twaalf naar vier productiebedrijven met de Sep als coördinerende en dirigerende stuurman. Dat hebben we loyaal uitgevoerd en het werkte. We waren in staat de kosten fors te matigen. Midden jaren tachtig behoorden de stroomtarieven in Nederland tot de hoogste van West-Europa, nu zitten we

bijna op het laagste niveau. Dat is zowel voor de kleinverbruiker als voor de concurrentiepositie van de nationale industrie van enorm belang.''

De milieuzorg leefde in de jaren tachtig nog nauwelijks, maar het besef dat de elektriciteitssector daar een belangrijke positie in heeft (de emissies van centrales) nam snel toe, legt Ketting uit. “Nu staan we qua milieuprestaties aan de top van de wereld. Nederland hoort tot de

landen met de hoogste bijdrage van warmte/krachtcentrales op het totale vermogen. Dat groeit nog steeds, terwijl we met brandstoffen (de grootste kostenpost) een veel betere diversificatie hebben bereikt. Destijds waren we voor 90 procent afhankelijk van aardgas. Dat is nu ruim 50 procent door een herwaardering van kolen, de goedkoopste brandstof met de meest stabiele prijs. We hebben de kolenvergassingscentrale in Limburg gebouwd, een installatie van 250 megawatt die veel zuiniger met kolen omgaat en qua milieuprestatie bijna

met een gasgestookte centrale is te vergelijken. Ik hoop van harte dat er in de toekomst ruimte komt voor een grote vergassingscentrale.''

“Op een bepaald moment ging het jasje van ons systeem knellen”, zegt Ketting. Vanaf midden jaren negentig begon hij een lobby om een fusie van de vijf betrokken bedrijven - Sep en de vier producenten - van de grond te krijgen. “We hadden een nauwe samenwerking, maar het kon veel beter. Elk bedrijf had nog steeds een eigen verantwoordelijkheid. En de samenhang tussen distributiebedrijven - onze belangrijkste afnemers - en

de productiesector was geringer geworden. Alles was sterk op de markt in

Nederland gefixeerd. Je was tegen elkaar aan het voetballen terwijl we dat juist samen moesten doen om de concurrentie met buitenlandse elftallen aan te kunnen. Daar waren we technologisch toen al goed toe in

staat.''

Een voorbeeld: de distributiebedrijven gingen met de centrale productie concurreren door samen met particuliere ondernemingen warmte/krachtcentrales te bouwen. Die centrales wensten geen rekening te

houden met de piekvraag 's morgens vroeg in de winter, waardoor de Sep een groot reservevermogen moest aanhouden, noch met de daluren waarin minder productie van stroom wenselijk is. Dat leidde tot een dreigende overcapaciteit, die intussen is weggewerkt door moeizaam bereikte aanpassingen, afstel van bouwplannen en vroegtijdige sluiting van grote centrales.

Ketting: “Voor mij was het helder dat alleen een fusie verdere kostenbesparing mogelijk zou maken, maar dan ook met een nauwe band met de distributiebedrijven die nu aandeelhouders worden. Die krijgen dan een direct belang in de onderlinge afstemming van het vermogen. Het is een win-winsituatie: zij krijgen een goede, goedkope leverancier, die zelf belang heeft bij trouwe afnemers.”

Kettings hardnekkige streven naar hervorming van de stroomsector heeft bij zowel distributiebedrijven als het personeel van de productiebedrijven soms verzet gewekt. Als “een dominante persoonlijkheid die drammerig zijn zinnen doorzet” werd hij in die kringen gekwalificeerd. De ondernemingsraden noemden het GPB een jaar geleden nog “een sterfhuis”, nadat ze het eerste concept van het businessplan hadden bestudeerd. Intussen zijn ze daarvan teruggekomen. Ze zien in dat een forse personeelsreductie onontkoombaar is als er vier

bedrijven ineen worden geschoven. Het sociaal plan voor het GPB waarover

eind vorig jaar overeenstemming werd bereikt, heeft daarbij goed geholpen.

“Je houdt jezelf bij tijd en wijle een spiegel voor. Zelfreflectie om scherp te beoordelen of je het goed doet als mensen in je omgeving je waarschuwen voor dominant gedrag. Die waarnemers hadden gelijk, het is zo”, erkent hij. “Maar als je echt iets tot stand wilt brengen en je moet twijfels en weerstanden overwinnen, moet je net als in een voetbalwedstrijd een zekere mate van drammerigheid hebben en bereid zijn

wel eens iemand van de bal af te zetten.''

Hoogtepunten in zijn periode als Sep-directievoorzitter waren de ondertekening van de overeenkomst tot samenwerking in 1986 met de Sep, die de concentratie tot vier productiebedrijven mogelijk maakte, en het principebesluit van 20 december vorig jaar om die vijf te laten fuseren.

“Hèt dieptepunt”: het besluit tot sluiting van Dodewaard. Ketting: “Dat betekende het einde van veel inspanningen om het aandeel van kernenergie in onze productie op te voeren. We zagen geen uitzicht binnen afzienbare tijd op verandering van de huidige politieke opvattingen en het maatschappelijk draagvlak.”

“Dodewaard was heel belangrijk voor het onderzoek in verband met de bouw van veiliger centrales. Dat deed pijn en ik blijf hopen op een kentering, op meer kernenergie in Nederland, althans wanneer wordt voldaan aan de veiligheidseisen en een aanvaarde wijze van berging van het radioactief afval. Naar mijn stellige overtuiging blijft kernenergie

een aantrekkelijke mogelijkheid om goedkoop, veilig en milieuvriendelijk

basislastvermogen (constante productie) te exploiteren. Kijk naar Borssele: die centrale is nu de veiligste van Europa. Als het besluit om

die centrale in 2003 uit bedrijf te nemen ongewijzigd blijft, gooit men een parel weg.''