in de kerk van Calvijn

Apostel Paulus had een vooruitziende blik. Maar wat zijn woorden eeuwen later in de Nederlanden zouden bewerkstelligen, kan hij onmogelijk hebben bevroed. Beter was het, vijf woorden met verstand te spreken, dan duizend stuks 'in tongen', zo schreef hij in een van zijn brieven. De zestiende-eeuwse calvinist, die de Bijbel meer naar de letter interpreteerde dan naar de geest, putte zijn inspiratie uit deze woorden, en verbande de organist uit zijn kerk. Het orgel immers, is een instrument met tongwerken, zoals de registers met die snerpende klank heten.

De bekering in 1572 van de Nederlandse natie tot het calvinisme had verregaande consequenties voor de kerkmuziek. De luisterrijke tradities van de roomsen werden naar het zuiden gedreven. En terwijl bij onze lutherse oosterburen de kerkmuziek door toedoen van componisten als Heinrich Schütz of Johann Sebastian Bach een grote bloei beleefde, verschrompelde de sacrale muziek hier te lande als een oud appeltje. Hier stelden de reformatoren geen prijs meer op muziekinstrumenten, op frivole melodieën, op sensuele samenklanken. Het gepredikte woord, dáár was het om te doen. En voor het overige verkoos men de 150 sober gezette psalmen, die sloom, dreinend en dreigend werden meegepompt door de gemeente.

Vele psalmen zullen te horen zijn in de serie Hollanders & Co. Kerkmuziek uit de Nederlandse Barok en Rococo, die de Evangelische Omroep vanaf morgenmiddag in vijftien wekelijkse afleveringen zal uitzenden via Radio 4. De serie werd samengesteld door kerkmusicus Anje de Heer, die eerder de voorloper Van Adelbert tot Sweelinck. Kerkmuziek in de Nederlanden realiseerde. 'Hollanders' verwijst in het algemeen naar de nationaliteit van de meeste componisten. In het bijzonder verwijst de titel naar de zeventiende-eeuwse componist Herman Hollanders, aan wie een hele aflevering wordt gewijd. Aan de hand van verschillende van zijn motetten zal worden geïllustreerd hoe de stand van zaken was aan het begin van de zeventiende eeuw.

In de serie Hollanders & Co is een geslaagde poging gedaan om het hierboven geschetste beeld van inertie en uitsluiting op het terrein van de kerkmuziek meer dynamiek te geven, van perspectief te voorzien en voor een deel zelfs te corrigeren. De rijke kerkmuzikale traditie kon immers niet van de ene op de andere dag uit het geheugen worden verbannen. Zeker niet uit het geheugen van componisten. Nog lange tijd werden er motetten op Latijnse teksten geschreven.

Daarnaast stimuleerden ook de melodieën van het Geneefse Psalter tot het schrijven van vocale en instrumentale bewerkingen, al werden deze uiteraard geweerd uit de gebedsdienst. Eveneens voor buitenkerkelijk gebruik ontstond een veelomvattend liedrepertoire. Bij nader inzien kwam het de protestanten trouwens best goed uit dat de beeldenstormers bij hun radicale schoonmaak in de kerken de orgels over het hoofd hadden gezien. De organist werd door de zijdeur weer toegelaten, aanvankelijk slechts om te helpen bij het instuderen van de psalmen, later ook om de gemeentezang in de kerk te begeleiden, en voor en na de dienst improvisaties ten beste te geven over de psalmmelodieën.