GESCHIEDENIS

Met de verhuizing van het hoofdkantoor naar Amsterdam keert Philips

in feite terug naar zijn oorsprong. In Amsterdam, in een woonhuis aan de

Herengracht 220, deed ir. Gerard Philips in 1890 zijn eerste proeven met

het maken van gloeilampen en ontstond de gedachte een eigen bedrijf op te richten.

Pas een jaar later verhuisde hij naar Eindhoven. Hij kocht er, met geld van zijn kapitaalkrachtige vader, een leegstaand fabriekje. Op 15 mei 1891 opende de onderneming Philips & Co officieel. In 1895 kreeg Gerard hulp van zijn broer Anton, die vooral commerciële talenten bezat. Gezamenlijk bleek het duo over gouden handen te beschikken. Nog geen tien jaar later, omstreeks 1900, behoorde Philips tot de top van de

Europese gloeilampenfabrikanten.

In 1914 richtte Gerard Philips het Natuurkundig Laboratorium op, dat uitgroeide tot de bakermat van vele nieuwe technologieën. Op dit Natlab begon men bijvoorbeeld met de ontwikkeling van röntgenbuizen

en radiobuizen: de basis van de latere divisies Medische Systemen en Consumentenelektronica. Toen de aanvoer van gassen en glas voor de gloeilampen in de Eerste Wereldoorlog stagneerde, richtte Philips eigen toeleverende bedrijven op en begon het ook met het opzetten van eigen buitenlandse productie- en verkooporganisaties. Zo ontstond al ruim vóór de Tweede Wereldoorlog een technologisch geavanceerd en internationaal opererend concern, dat in 1939 in totaal 45.000 mensen

in dienst had, van wie 19.000 in Nederland.

Mede door die reeds vergevorderde internationalisering kon Philips de Tweede Wereldoorlog goed doorstaan. Daarna - met name in de jaren vijftig - profiteerde het concern sterk van de enorme welvaartsstijging.

Radio's, televisies en koelkasten werden bij miljoenen verkocht. Het scala van activiteiten en producten breidde zich steeds verder uit - met

kleine huishoudelijke apparaten, radarsystemen, telefooncentrales, computers, videorecorders, enzovoort.

In de loop van de jaren zeventig - Philips telde toen meer dan 400.000 werknemers - raakte de euforische groei ten einde, vooral op de Europese

thuismarkt. In de consumentenelektronica deed daarnaast de opkomende concurrentie uit de Aziatische landen zich in toenemende mate gelden. Verder raakten de technologische ontwikkelingen in de elektronicabranche

in een steeds hogere versnelling en eisten ze steeds grotere investeringen. Philips zag zich dus genoodzaakt zijn efficiency te verbeteren én keuzes te maken.

Wat die efficiency betreft: sinds 1980 is het concern verwikkeld in een constante strijd om het bestaan. Als gevolg van sterke schommelingen in de koers van de dollar en de yen, enorme prestaties in de productiviteit

van de Aziatische fabrikanten en de daarmee samenhangende prijserosie wordt het effect van saneringen en reorganisaties steevast binnen korte tijd tenietgedaan. Onder leiding van president-directeur Jan Timmer verbeterde Philips in de eerste helft van de jaren negentig zijn productiviteit met veertig procent. Dat - in combinatie met de verkoop van diverse bedrijfsonderdelen - was genoeg om te overleven, maar veel meer ook niet.