Europa moet zich bewijzen

Welke landen mee mogen doen met de euro wordt begin mei besloten. De verwezenlijking van die ene munt zal de opmaat worden voor een politieke en militaire fusie. Een hooggegrepen ideaal waarvoor in Frankrijk niemand de verantwoordelijkheid durft te nemen, stelt Denis Jeambar.

Wil een project legitiem zijn, dan moet het door iedereen begrepen en gesteund worden. Het inroepen van de stem des volks moeten we niet overlaten aan de tegenstanders van Europa.

“Het is gedaan met het oude Europa. Het is uitgebloeid. Zal het jonge Europa meer mogelijkheden bieden?” Deze zorgelijke vraag die Chateaubriand (1768-1848) zich in zijn memoires stelde, zou voor de Fransen wel eens opnieuw een plaag kunnen worden, nu er niemand is die duidelijke taal spreekt over de toekomst. Het oude Europa, de tragische moeder van twee wereldoorlogen, is hard op weg uit te doven. Met de geboorte van de euro op 1 januari 1999 wordt getekend voor het tweede overlijden van deze oude wereld, die al ernstig was verzwakt door de val van de Berlijnse Muur in 1989.

Maar wat is ons perspectief na die eenheidsmunt die we democratisch hebben aanvaard door in september 1992 ja te zeggen tegen het Verdrag van Maastricht? Er is één vraag die in dit 'jonge Europa' dat nu geleidelijk gestalte krijgt, nooit wordt gesteld. Wat is nu werkelijk de soevereiniteit van Europa en wat zijn de nieuwe soevereiniteitsvormen van de landen die er deel van uitmaken?

Er is vandaag de dag echt niemand die durft of probeert nog eens duidelijk en eerlijk te onderzoeken wat de gronden van de Europese eenheid zijn. Toch is er ontzettend veel veranderd sinds het Verdrag van Rome, dat was ontstaan uit de Tweede Wereldoorlog en de verdeling van de wereld in twee tegenover elkaar staande blokken. Wat is de aandrijvende kracht van ons Europa, op minder dan zevenhonderd dagen van het derde millennium? Is het de economische modernisering met de uitdagingen van mondialisering? Het zoeken van politieke stabiliteit? De angst voor een oorlog? Een onbedwingbaar verlangen naar vrede? Is het een welomschreven visie op de toekomst of gewoon een door het verleden geconditioneerde reflex? Is het het streven een eenheid te vormen en ons te verenigen dat ons leidt, of ons wederzijds wantrouwen dat ons ingeeft ons te bundelen? Is het een echte keuze of een vlucht naar voren omdat we het gevoel hebben dat er geen alternatief is?

Op al deze vragen wordt door onze politici nooit antwoord gegeven. Ze roepen steeds maar, als dartele jonge geiten: Europa! Europa! Europa! Maar verder gaan hun bezweringsformules niet. Niemand durft ons werkelijk te beschrijven wat het vervolg is. Het was trouwens nooit een gespreksthema. Europa is vanaf het begin van de periode na De Gaulle uitdrukkelijk ons streven geweest, maar er is niemand die ons duidelijk vertelde wat het zou moeten inhouden.

Maar woorden hebben wel een betekenis en het is gevaarlijk zich ervoor te blijven verschuilen. Federalisme bijvoorbeeld, dat door sommigen wordt genoemd zonder ooit alle consequenties eruit te trekken, betekent het overdragen van soevereiniteit, hetgeen recht tegen onze etatistische traditie indruist. Het leidt uiteindelijk tot het ter discussie stellen van de internationale verantwoordelijkheden van Frankrijk. Zo zullen we bijvoorbeeld, als we kiezen voor een federaal Europa, afstand moeten doen van onze permanente zetel in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Zijn we daarop voorbereid? Nee. Supranationaliteit heeft een eigen logica die onderkend moet worden, verduidelijkt en uitgelegd, omdat traditionele nationale identiteiten er flink door geraakt worden. Uiteindelijk komt daar onontkoombaar, na de economische en monetaire eenheid die met de euro ontstaat, een politieke, diplomatieke en militaire fusie uit voort.

Dat is hooggegrepen, maar in Frankrijk komt niemand voor dat streven op of durft er de verantwoordelijkheid voor te nemen. En dat is niet voor niets. Het botst frontaal met het Franse politieke erfgoed. Wie zal de principiële discussie durven aanzwengelen die door de filosoof Julien Freund is omschreven als: Echte integratie komt tot stand via de krijgsmacht, omdat alleen door de krijgsmacht de kwestie van leven of dood wordt gesteld?

Zijn de Fransen bereid om voor Europa te sterven? En dan gaat het niet om een studiethema, om hypothetische bespiegelingen, maar om een uitermate concrete vraag. Is het niet zo, dat een deel van het Europese continent onder spanning staat en de EU machteloos en verlamd is door een gebrek aan gemeenschappelijke politieke wil? Inderdaad leven in Frankrijk, zowel bij links als bij rechts, tegengestelde, of zelfs elkaar tegenwerkende Europese gevoeligheden naast elkaar.

Om de ideologisch heterogene regeringscoalities in stand te houden, wordt gesjoemeld, geschipperd, weggemoffeld en geschoven met het uur der waarheid. Wollig taalgebruik krijgt de overhand. Door het de bevolking permanent toe te dienen, kan een confrontatie tussen voor- en tegenstanders van Europa worden vermeden. Het resultaat is natuurlijk rampzalig. Europa wordt steeds minder begrepen, het begint iets schimmigs te worden, de legitimiteit van Europa verliest terrein en het euroscepticisme boekt vooruitgang.

Ons verlangen naar Europa lijdt in feite aan een fundamentele ambiguïteit. De presidenten die De Gaulle opvolgden, hebben tussen de school van de geleidelijkheid, die een federaal Europa nastreeft, en de gaullistische school, die het Europese bouwwerk simpelweg ziet als een vermenigvuldigingsfactor van de macht van Frankrijk, nooit een beslissing geforceerd of zelfs maar een discussie op gang gebracht. Van het begin af aan heeft Frankrijk met deze tweeledigheid aan de Europese onderneming deelgenomen. De beslissing tussen een federaal Europa, dat alleen maar een Europa-natie kan zijn, en een Europa van de Staten, dat alleen maar een Europa van de landen kan zijn, werd altijd maar uitgesteld.

Wil Europa een bestemming hebben, dan kan het niet blijvend een halfslachtig Europa zijn, een Europa van het noodlot, een compromis dat in elkaar is geknutseld op duistere topoverleggen vol tegenstrijdige ideeën.

Wat Europa betreft hebben we veel gemeen met die ontdekkingsreizigers op zoek naar nieuwe werelddelen in de 15e en 16e eeuw. We staan op de brug en verliezen de hoop nog vaste grond te vinden. De euro zou vaste grond kunnen bieden, als datgene wat erop volgt, zou worden uitgelegd, besproken, nagestreefd. Met de definitieve totstandkoming van de eenheidsmunt en de ratificatie van het Verdrag van Amsterdam wordt een nieuwe fase geopend. Dat is dus een prachtige gelegenheid om eindelijk die grote discussie aan te gaan over het Europa waarmee we de 21e eeuw willen ingaan.

Als het gaat om het allerbelangrijkste project van de afgelopen en de komende duizend jaar, dan is het noodzakelijk om aan het eind van die brede nationale discussie, de instemming van de bevolking te hebben. Bang zijn om een referendum te verliezen over het Europa van na de invoering van de euro, is geen geldige reden ervan af te zien. Een nederlaag vrezen, dat is twijfelen aan de eigen overtuigingskracht, en de zwakte erkennen van de eigen plannen. Europa kan niet steunen op uitvluchten en leugens. Als tegen de mensen niet wordt verteld waar ze naartoe gaan, dan zullen ze dat uiteindelijk altijd vergelden.

De Europese gedachte is te belangrijk om de eis tot een referendum het voorrecht te laten zijn van extremistische tegenstanders van rechts en van links. Het is tijd dat de horizon wordt opgeklaard, dat wordt aangegeven wie precies die denkbeeldige Europeaan is, dat het hele project begrijpelijk wordt gemaakt en legitimiteit verwerft. Zo kan ontkomen worden aan het afschuwelijke gevaar van ontgoocheling en terugslag, waardoor alles waaraan is gewerkt zou verdwijnen in een vaagheid waaraan nu juist een eind moet komen.