Egypte tegen aanval op Irak - maar voorzichtig

Egypte zit in de crisis met Irak in een lastig parket. De publieke opinie dwingt Kairo afstand te nemen van de VS, maar ook weer niet te ver, want anders komt de Amerikaanse steun in gevaar.

AMSTERDAM, 12 FEBR. De Egyptische regering krijgt het steeds moeilijker. Zij is faliekant tegen de door de Amerikanen in het vooruitzicht gestelde aanval op Irak en zij voelt zich tegenover de eigen publieke opinie verplicht om die mening nadrukkelijk te verkondigen. Maar zij wil ook niet door al te harde kritiek haar toch al wankele bondgenootschap met de VS nog verder belasten. Want nu al heeft senator Jesse Helms, de machtige voorzitter van de Senaatscommissie voor Buitenlandse Betrekkingen, aangekondigd dat hij de Egyptische onwil om met de VS tegen Irak samen te werken met financiële sancties zal bestraffen.

De eens zo warme relatie met de Amerikanen brokkelde de afgelopen jaren af, naarmate president Mubarak zich meer als Arabisch leider ging profileren. Om de linkse, de nasseristische en de moslim-fundamentalistische oppositie in zijn land zoveel mogelijk gras voor de voeten weg te maaien, ging Mubarak - daarin gestimuleerd door zijn minister van Buitenlandse Zaken, Amr Mussa - op zoek naar een nieuwe vorm van Arabisch nationalisme, waarvan Egypte opnieuw de inspirerende leider moet zijn. Dit 'neonasserisme' wil opnieuw de Arabische Natie bundelen, ditmaal echter niet in een politieke unie, zoals in de jaren '50 en '60, maar in een economische unie naar het voorbeeld van de Europeanen.

Keerpunt in de Egyptische politiek werd de Golfoorlog van 1991 tegen Irak, waarin Egypte - toen nog Amerika's meest volgzame vriend in de Arabische wereld - centrum en speerpunt was van het Arabische verzet tegen Saddams overval van Koeweit. Egypte werd door het Westen beloond met kwijtschelding van zijn schulden ten bedrage van tientallen miljarden dollars. En het sloot een informeel bondgenootschap met Syrië en Saoedi-Arabië. Het doel daarvan was om de rijke Golfstaten voortaan Arabische militaire bescherming te bieden in ruil voor grootschalige contracten en financiële steun. Maar het paradoxale gevolg was dat Egypte, dat zich altijd zo had ingezet voor een alomvattende Arabisch-Israelische vrede, nu door deze twee Arabische vrienden werd genoodzaakt de Syrische eisen ten aanzien van Israel te onderschrijven, waardoor het vredesproces fataal werd afgeremd.

Intussen groeide Mubaraks zelfbewustzijn, zeker toen de Egyptische economie langzaam begon aan te trekken. Hij stelde zich wat onafhankelijker van Washington op en nam allerlei beslissingen die de Amerikanen absoluut niet aanstonden. Zo steunde hij steeds vaker zijn Libische buurman, kolonel Gaddafi. Hij kocht lange-afstandsraketten van Noord-Korea. En hij koelde reeds ten tijde van de vermoorde premier Rabin welbewust de betrekkingen met Israel af. Toen Netanyahu premier van Israel werd en met olifantspoten op bijna alle Arabische gevoeligheden trapte, kon Mubarak zich nòg openlijker van Israel distantiëren en zich nòg duidelijker als Arabisch leider en beschermheer van Palestina presenteren. Vandaar dat de politieke elite van Egypte binnenskamers Netanyahu's aan- en optreden “een zegen voor Mubarak” noemde.

Voor de buiten- èn binnenlandse politiek van elke Egyptische president is het een halszaak om een minimaal bevredigende regeling van de Palestijnse kwestie aan de Arabische en de moslimwereld te kunnen verkopen. Een Egyptische president die heel Jeruzalem in handen van de joden laat, zonder zich fel daartegen te verzetten, tekent zijn (politieke) doodvonnis. Niet voor niets koestert Mubarak PLO-voorzitter Yasser Arafat als zijn petekind en voelt hij zich - wat dat kind ook moge doen - voor hem verantwoordelijk.

Mubarak was vroeger, als politiek erfgenaam van president Anwar Sadat, centrum van alle Arabisch-Israelische vredesbemoeienissen. Maar sinds 1994 voelde hij zich geleidelijk aan buitengesloten, nadat de PLO en Israel elkaar plechtig hadden beloofd in de toekomst vrede te zullen sluiten, en Jordanië en Israel een reëel vredesverdrag hadden getekend. Egypte, voordien hèt stralende voorbeeld van Arabische vredesbereidheid, was niet langer uniek - special, zoals de Amerikanen dat noemen. Mubarak werd dan ook voor de Amerikanen wat minder belangrijk in het Arabisch-Israelische krachtenspel. De Jordaanse koning Hussein en de Palestijnse president Arafat namen een deel van zijn rol over. En die situatie veranderde niet toen het Palestijns-Israelische vredesproces steeds verder stagneerde.

Zeker éénmaal per maand komt Arafat bij Mubarak op bezoek en moet hij getroost worden, zonder dat Mubarak hem kan helpen. Dus worden de Egyptische verwijten aan het adres van de “door de zionisten overheerste Amerikaanse regering” steeds luider. Zelfs de door de overheid gecontroleerde media mogen tegenwoordig de joodse afkomst van Clintons naaste medewerkers aan de kaak stellen.

Hoewel Mubarak tot dusver op twee miljard dollar per jaar aan militaire hulp van Washington kon rekenen, vindt 'men' in de Arabische wereld het niet langer vanzelfsprekend om hem als “lakei van de Amerikanen” af te schilderen. Want hij neemt gaandeweg steeds meer afstand tot Washington. Omdat naar het idee van zowel de Egyptische beleidsmakers als de oppositie Amerika en Israel in feite één pot nat zijn.

Zo demonstreerden ongeveer twee weken geleden studenten en de door de radicaal-islamieten gedomineerde belangengroepen voor journalisten, ingenieurs enz. tegen een Amerikaanse aanval op Irak. Dat gebeurde in en buiten de Universiteit van Kairo. In 1990 en 1991 werden soortgelijke demonstraties buitengewoon hardhandig uit elkaar geslagen. Ditmaal echter trad de politie niet tegen de demonstranten op, maar vermaande hen vriendelijk: “Doe dat nou niet” - zonder verder in te grijpen.

Een journalist van een Egyptisch oppositieblad legt uit waarom. “Het ligt nu anders dan in 1991. Saddam had een soeverein Arabisch land gekaapt en moest tot de orde worden geroepen - zeker toen hij zijn persoonlijk gegeven belofte aan Mubarak had geschonden om geen geweld te gebruiken. Onze gastarbeiders, die toen bij honderdduizenden uit Irak werden gegooid, hebben nu schadevergoeding ontvangen van de VN uit het voedsel-voor-olie-programma. Ze kregen ongeveer 70 procent van hun lonen uitbetaald. Dat heeft hen een stuk milder gestemd tegenover Irak. En verder waren er natuurlijk op de Egyptische (staats)televisie erg veel beelden over de ziekenhuizen en het lijden van de kinderen in Irak. Dus is nu ook de man in de straat tegen een militaire ingreep. Wij zijn nu eenmaal emotionele mensen. De sfeer is veranderd. De isolatie van Irak duurt te lang. En bij ons wordt het verleden gauw vergeten. We herinneren ons niet meer zo goed dat in 1989 en '90 honderden Egyptische gastarbeiders in Irak werden doodgeslagen en in lijkenzakken naar huis terugkeerden.”

Het huidige beleid van de Egyptische overheid wordt echter niet alleen bepaald door de publieke opinie, maar ook door de verwachting dat een Amerikaanse militaire aanval op Irak de Arabisch-nationalistische en moslim-fundamentalistische sentimenten in de hele regio zal aanwakkeren. Dat zal een uitnodiging zijn voor allerlei vormen van terroristisch geweld tegen Amerikaanse en Israelische doelen. In zo'n klimaat van terreur- en vergeldingsacties is alles mogelijk - zelfs een Israelisch-Palestijnse oorlog, waar Egypte in meegezogen zou kunnen worden.

Ook gevoelsmatig zit Mubarak in een buitengewoon moeilijk parket. Hij - en de Arabische publieke opinie mèt hem - vindt in feite Israels atoomwapens wèl en Saddams biologische en chemische wapens niet bedreigend. Want eigenlijk kan niemand in de Arabische wereld - buiten de Golfstaten - zich voorstellen dat Saddam zijn wapens tegen mede-Arabieren zal gebruiken.

Drie jaar geleden voerde de Egyptische regering al een intensieve campagne tegen de regering-Rabin, die het Non-Proliferatie-Verdrag inzake atoomwapens niet wilde tekenen zolang diverse Arabische staten en Iran geen vrede met Israel hadden gesloten en ook nog eens een groot chemisch wapenarsenaal opbouwden. Het Westen, met name de VS, vond de Israelische argumenten overtuigend, waardoor de Egyptische campagne geen succes boekte.

Daarop besloten Egypte, Syrië, Libanon en Irak om het Internationale Verdrag tegen Chemische Wapens niet te tekenen. Mubarak, die zelf over een groot chemisch wapenarsenaal beschikt, om in geval van oorlog tegen Israel in te zetten, kan zijn volk niet uitleggen waarom Israel zijn atoomwapens mag behouden, terwijl Irak met hel en verdoemenis wordt bedreigd nu het zijn massa-vernietigingswapens niet opgeeft. En velen vragen zich af of ná Irak niet andere Arabische landen in het bezit van chemische wapens door de VS zullen worden bedreigd. Libië? Syrië? Misschien ook Egypte?

De journalist Salama Ahmed Salama, die zeker geen extremist is, schreef in de semi-officiële krant Al Ahram: “Het is duidelijk dat de berucht onrechtvaardige en arbitraire aard van de Amerikaanse politiek tegenover Irak, de onduidelijkheid van Amerika's ware bedoelingen en de Amerikaanse tegenzin om het Irak-dossier te sluiten en de sancties geleidelijk op te heffen (...) het probleem alleen maar verergeren en niet oplossen.” Voor de goede orde merkte hij tevens op dat “de Arabische landen Saddams methoden in de omgang met zijn volk en zijn buren verafschuwen”.

Salama's uitval toont haarfijn Mubaraks dilemma. Het is voor hem als Arabisch Leider buitengewoon vervelend dat Saddam Hussein nu opnieuw de Arabische Held en Martelaar uithangt. Maar nog veel vervelender is het om een Amerikaanse aanval op een Arabisch broedervolk over zijn kant te laten gaan. Omdat zijn volk er zo tegen is, maar ook omdat hij aan de toekomst denkt. Want precies zoals Frankrijk en Rusland wil ook Egypte in de toekomst, na de opheffing van de handelssancties, graag een stuk van de Iraakse cake. Bij voorbeeld door vier of vijf miljoen Egyptenaren naar Irak te exporteren en een aandeel te krijgen in de wederopbouw van dat land.

De oppositie-journalist uit Kairo: “Daarom zei Mubarak onlangs tegen de Egyptische journalisten dat zij hun stem meer moeten laten horen. Hij geeft ons meer vrijheid. Zo kan hij tegen de Amerikanen zeggen dat hij niet kan ingaan tegen zijn eigen publieke opinie. En voor de rest moeten hij en wij het maar afwachten.”