Claims op schilderijen uit Boijmans; Onderzoek naar herkomst

ROTTERDAM, 12 FEBR. De Amerikaanse nakomelingen van een Franse, joodse verzamelaar claimen een zeventiende-eeuws schilderij uit de collectie van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Het gaat om een stilleven van Dirk van Delen, een tulp in een vaasje, dat voor de oorlog in bezit was van de Parijzenaar Adolphe Schloss. Het bezit van Schloss werd in de oorlog door de nazi's in beslag genomen. Via het legaat van Vitale Bloch, een in Nederland woonachtige, Russisch-joodse verzamelaar, kwam het in 1976 in Boijmans terecht. Dit zegt Jeroen Giltaij, hoofdconservator Oude Schilderkunst van Boijmans. Over de claims die ook op enkele andere oude schilderijen rusten, wil het museum nog geen exacte mededelingen doen.

Twee weken geleden heeft Boijmans ontdekt ook drie tekeningen te bezitten die die in 1943 werden gekocht van A. Seyss Inquart, tijdens de

oorlog de Duitse rijkscommissaris in Nederland. Ze behoren niet tot de belangrijkste stukken. De waarde van eenvan deze werken ligt rond de 10.000 gulden. “Een medewerker vond achterop een verwijzing naar een voormalige bezitter. Omdat het een joodse naam was, is men verder gaan kijken”, zegt C. Weeda, hoofd Culturele Zaken van Rotterdam. Er wordt nu onderzocht of er nog rechthebbenden zijn. Lopende dat onderzoek wil de gemeente niet zeggen om wat voor tekeningen het precies gaat.

Na deze recente ontdekking, gedaan bij een Amerikaans verzoek om bruikleen, hebben B & W van Rotterdam besloten een onderzoek in te stellen naar de herkomst van alle kunstwerken die tijdens en kort na de oorlog in bezit kwamen van de Rotterdamse musea. Binnen een maand moet duidelijk zijn welke kunstwerken Museum Boijmans Van Beuningen en het Historisch Museum tijdens de oorlog verwierven, hetzij door koop of door

bruikleen. Als er werken opduiken die onder dwang verkocht of gestolen zijn, zal de gemeente proberen de rechthebbende op te sporen en de werken teruggeven.

Het onderzoek wordt uitgevoerd door het Rotterdamse gemeentearchief en begeleid door deskundigen, onder wie directeur C. Dercon van Boijmans. De gemeente heeft ook contact gezocht met de Inspectie Cultuurbezit van het ministerie van OC&W. Dat is bezig met een verkennend onderzoek naar de 'roofkunst' in de Nederlandse musea, waarvan de uitkomst omstreeks april bekend wordt. “We hebben besloten dat we daar niet op willen wachten”, aldus Weeda.

De herkomst van enkele tientallen andere tekeningen, eveneens verworven tijdens de oorlog, is onbekend, zo blijkt uit een inventarisatie die al in de jaren vijftig werd gemaakt. Ook deze bladen zijn geen topstukken, aldus Bram Meij, hoofdconservator tekeningen. Volgens Meij is overigens nauwelijks meer te achterhalen waar de bladen precies vandaan komen die Boijmans nà de oorlog bij de Nederlandse kunsthandel heeft gekocht. “De kunsthandelaren leven veelal niet meer en het is de vraag of hun archieven nog bestaan”. Op de vraag waarom Boijmans zelf niet eerder tot een onderzoek van mogelijk omstreden bezit heeft besloten, zeggen zowel Giltay als Meij te hebben vertrouwd op de naoorlogse inventarisaties van de Stichting Kunstbezit Nederland.