Zondigen tegen de onwrikbare wetten van de pornofilm

Filmproductie: We doen wat we kunnen van Dik Boutkan/Martin van Poppel. Met: Gerardjan Rijnders, Dik Boutkan, Joop Admiraal e.a. Productie: Toneelgroep Amsterdam / Toneelschuur Haarlem. Gezien: 10/2, Cuckoo's Nest, Amsterdam. Nog te zien: 12 t/m 16/2 om 19.30 en 22.00u, Frascati, Amsterdam. Inl. (020) 626 6866.

Is er buiten Nederland één ander land ter wereld waar de artistiek leider van het voornaamste theatergezelschap het in zijn hoofd zou halen mee te doen aan een pornofilm, een 'echte homofilm' bovendien? En waar dat zonder gevolgen zou blijven? Nee, dat is zeker. Of het in ons land kan, moeten we natuurlijk nog afwachten, maar waarschijnlijk is het niet, dat tegen We doen wat we kunnen - waarin een van de twee hoofdrollen wordt gespeeld door Gerardjan Rijnders, leider van Toneelgroep Amsterdam - protest zal rijzen.

Het zou hoe dan ook geen erg adequate reactie zijn, ook niet als de theatermakers Martin van Poppel en Dik Boutkan, ooit lid van het in provocaties gespecialiseerde theatergroepje Nieuw West, er wel op uit waren geweest echte porno te maken. Maar theater- of filmmakers hebben andere ambities. Het gezwoeg klinkt niet voor niets door in de titel van de film - en zelden was een titel zo trefzeker als die van dit werkstuk. Ironie kent veel verschijningsvormen: ze kan zelfs ondubbelzinnig worden.

Dat We doen wat we kunnen alles met ironie en kunstmatigheid en weinig met seks en porno te maken heeft is duidelijk. Stijl en cameravoering zijn die van de nog huisvlijtige pornofilmer uit de jaren zestig. Mogelijk resterende twijfel aan de intenties van de makers sneuvelt onherroepelijk door de holle blikken van 'genot' van Rijnders en Boutkan (die de andere helft speelt van het stel dat in de film de toppen van seksuele extase tracht te bereiken), hun impotente gestumper en armoeiïge blootheid in ellendige decortjes, het in necrofilie voorzienende scenario, en het larderen van de nummertjes van beide heren met indringende close-ups van suggestieve smurrie van onbestemde herkomst en van vissen die schoon gemaakt worden. Ronduit onvergeeflijk is het zondigen tegen de onwrikbare wet van de serieuze porno, dat er binnen drie minuten actie te zien moet zijn.

Wie hiervan opgewonden raakt, is een vertegenwoordiger van een nieuwe, tot op heden onontdekte geaardheid. De film, die gisteren veelbetekenend in een hoofdstedelijke nichtenkroeg-met-darkroom in première ging, is nog het best te vergelijken met een (wat te lange) sketch van het komisch duo Theo & Thea. Het is een parodie op porno en seks, ongeveer zoals seks zelf dat zijn kan. Van belang is dat er wat te lachen valt - een behoefte waarin wat mij betreft voorzien wordt door het opzettelijk knullige effectbejag.

De prettig-ongegeneerde productie van Boutkan en Van Poppel heeft, voor wie het zien wil, trouwens ook serieuze kanten. Het is een verrassende manier om het verlangen naar liefde vorm te geven, een thema waarvan het werk van Rijnders doortrokken is. In die zin overstijgt We doen wat we kunnen de grappige inval, is Rijnders' medewerking logisch en kan de vraag van de makers in het programma-foldertje of de film 'echte kunst' is, positief beantwoord worden. De vertoningen in Theater Frascati worden begeleid door live-geluid van Van Poppel en Boutkan: ze zijn er niet in geslaagd een deugdelijke soundtrack te vervaardigen - wat de kans vergroot dat hun film de cultstatus nog eens bereikt.