Wie profiteert

Wie heeft recht op de overtollige reserves die bij steeds meer pensioenfondsen een luxeprobleem van ongekende omvang beginnen te worden? De fenomenale hausse op de financiële markten van de afgelopen drie jaar heeft pensioenfondsen van verschillende grote ondernemingen miljarden guldens opgeleverd.

Hun financiële reserves zijn de afgelopen drie jaar gemiddeld met zeker 15 procent gestegen, terwijl de verplichtingen tegenover hun pensioengerechtigden dankzij de loonmatiging en de lage inflatie met minder dan de helft omhoog zijn gegaan.

Van wie zijn deze overtollige reserves? Van de werkgever, die zijn personeel een pensioenregeling aanbiedt, daarvoor premies betaalt en daarvoor een pensioenfonds heeft opgericht? Of van de werknemers, die hun deel van de premies moeten betalen en later het pensioen uitgekeerd krijgen? Of van deze twee samen, omdat zij ook samen het bestuur van het fonds vormen, dat formeel de verantwoording heeft voor het reilen en zeilen van het fonds? Maar hebben de gepensioneerde werknemers ook iets in de melk te brokkelen? Of de voormalige medewerkers die wel rechten hebben opgebouwd, maar niet meer bij het bedrijf werken, de zogeheten slapers?

De afgelopen maanden is deze vraag prangend op tafel gekomen bij een aantal van de grootste Nederlandse concerns die een of meer dochterondernemingen van de hand deden. ABN Amro verkocht zakenbankdochter MeesPierson (4.000 werknemers), Unilever stootte zijn chemische bedrijven af (waarbij bijna 2.000 Nederlandse werknemers waren betrokken), terwijl het familiebedrijf SHV de Europese Makro-groothandels aan de Duitse detailhandelsgigant Metro verkocht. Stuk voor stuk verkopers met een financieel sterk pensioenfonds, maar met heel verschillende uitkomsten voor de “verkochte” medewerkers.

Geen vierhonderd miljoen gulden overtollige reserves, maar “slechts” vijfentwintig miljoen kregen de werknemers van de Nederlandse chemische bedrijven van Unilever mee, toen de activiteiten vorig jaar werden verkocht aan de Britse onderneming ICI. De werknemers van MeesPierson konden daarentegen wel hun deel van de overtollige reserves van het ABN Amro pensioenfonds meenemen. Dat ging om zo'n 200 miljoen gulden uit de algemene en de beleggingsreserve.

De meest simpele oplossing kregen de Makro-werknemers: SHV heeft geen centraal pensioenfonds voor zijn werknemers. De Nederlandse Makro-organisatie had een eigen pensioenvoorziening, die in z'n geheel met de werknemers is overgeheveld naar de nieuwe eigenaar. In tegenstelling tot de pensioenfondsen van ABN Amro en Unilever geeft SHV geen openbaar verslag van het reilen en zeilen van zijn pensioenfondsen. Vanaf volgend jaar wordt een jaarverslag voor grote fondsen overigens wel verplicht.

Waarom kreeg het MeesPierson-personeel wel de extra reserves mee, maar de Unilever-medewerkers niet? In de pensioenregeling van MeesPierson was contractueel vastgelegd dat werknemers bij verkoop van de bank niet alleen recht hebben op hun opgebouwde pensioen, maar ook op de overwinst. In de pensioenregeling van Unilever staat niets over de bestemming van de overtollige reserves.

Unilever heeft bij een eerdere verkoop van een veel kleinere dochter - Bensdorp, in 1986 - een meningsverschil over de pensioenrechten tot en met de Hoge Raad uitgevochten en in 1994 ook gewonnen. Tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld in de pensioenvoorwaarden hebben werknemers bij dochterbedrijven die worden verkocht geen recht op eventuele overtollige reserves in het pensioenfonds, zo heeft de hoogste Nederlandse rechter uitgesproken.

De bijna 2.000 werknemers van Unilever die bij de chemiebedrijven werken hadden op papier recht op een overreserve van zo'n vierhonderd miljoen gulden. Waarom kregen zij dan wel 25 miljoen gulden mee? Dat was de afkoopsom voor de verbeterde pensioenregeling die Unilever bijna twee jaar geleden is overeengekomen met de vakbonden. Unilever was tijdens de verkoop van de chemiebedrijven met de bonden overeengekomen dat de arbeidsvoorwaarden van het personeel niet zouden verslechteren. De pensioenregeling werd twee jaar geleden flexibeler gemaakt, terwijl de vut werd afgeschaft ten gunste van een zogeheten pre-pensioenregeling.

Doordat de overtollige pensioenreserves niet dalen bij de verkoop van dochterondernemingen is Unilevers luxepositie nog plezieriger geworden. De overtollige reserves van circa 2 miljard gulden (per eind 1996) zijn door de verkoop van de chemiedochters onaangetast. En zelfs nog verder gegroeid door de florissante beleggingsresultaten die vorig jaar zijn behaald. Het aantal actieve werknemers is echter met een vijfde gedaald, terwijl de rechten van gepensioneerden en slapers onveranderd zijn gebleven. Daardoor is de financiële positie van het Unilever-pensioenfonds nog rianter geworden. Sinds 1990 hebben werknemers en werkgever geen pensioenpremies meer betaald, en Unilever heeft in 1994 nog eens 220 miljoen gulden teruggekregen van het fonds, maar het vermogen groeit maar door.