Unilever lastiger te doorgronden

Unilever realiseerde over 1997 een recordwinst van ruim 10 miljard gulden. Door valutaschommelingen, voorzieningen en aan- en verkoop van activiteiten wordt het voor de buitenstaander steeds moeilijker om een helder beeld te krijgen van de financiële werkelijkheid bij grote concerns.

ROTTERDAM, 11 FEBR. Bestuursvoorzitter Morris Tabaksblat van Unilever zorgde gisteren bij de toelichting op de jaarcijfers voor een kleine primeur. In plaats van te juichen over een stijging van de nettowinst van maar liefst 159 procent, beklemtoonde hij dat de werkelijke groei slechts 13 procent is. “Het zal u vreemd voorkomen dat een bestuursvoorzitter de winstgroei nuanceert, maar bij Unilever zijn wij gewend naar de ontwikkeling van de onderliggende trends te kijken.” Volgens Tabaksblat hoeft niemand zich zorgen te maken over de kwaliteit van de winst, “want daar valt niets op af te dingen”.

Met name de gestegen winstmarges geven aan dat het elk jaar beter gaat met Unilever. Toch wordt het bij dergelijke concerns steeds moeilijker om goed zicht te krijgen op de financiële werkelijkheid. Supertankers als Unilever ondergaan in twaalf maanden zoveel verandering, dat vergelijkingen met een voorafgaand jaar steeds minder zin hebben. In 1997 verkocht en kocht Unilever 23 (grotere) bedrijven en werden zo'n 20 ondernemingen van de hand gedaan. De verkoop van de chemie-activiteiten aan ICI bracht maar liefst 15,8 miljard gulden op. Door de boekwinst van ruim 6 miljard gulden was een recordwinst een feit. Het afstoten van de chemie-activiteiten zorgde er ook voor dat halverwege 1997 bijna 10 procent van de omzet (8 miljard gulden) wegviel.

Het zicht op de financiële werkelijkheid wordt verder verstoord door de grote voorzieningen die het concern vorig jaar heeft genomen. In het derde kwartaal van 1997 maakte Unilever bekend een bijzondere last van ruim 2miljard gulden te gebruiken om oude fabrieken en machines extra snel af te stoten en andere reorganisaties te bespoedigen. Hoe dergelijke grote voorzieningen precies worden gebruikt, en welke invloed ze hebben op de winst van het lopende jaar, is altijd onduidelijk.

Een andere verstorende invloed is afkomstig van de steeds wisselende valutakoersen. Het was Tabaksblat nog niet eerder overkomen, maar gisteren kon hij de vruchten plukken van een zwakke gulden. In guldens omgerekend kwam de winst veel hoger uit. “De gulden was de zwakste munt ter wereld, waarschijnlijk een correctie voor de kracht van de afgelopen jaren. Zelfs ten opzichte van de Braziliaanse real en de Indonesische roepia heeft de gulden moeten inleveren. Het is nu mijn Britse collega, de voorzitter van Unilever Plc, die aan de journalisten moet uitleggen dat het allemaal niet zo matig is als het er in ponden uitziet.”

De winst van Unilever (in guldens) kreeg in het afgelopen jaar dankzij de koersschommelingen een impuls van maar liefst 795 miljoen. Om de valuta-invloeden enigszins weg te nemen geeft het concern ook resultaten met 'constante wisselkoersen': met die correctie publiceerde Unilever gisteren een winstgroei van 13 procent, zonder correctie een groei van 24 procent.

Door alle factoren die de winst van een concern beïnvloeden, wordt de vergelijking met de concurrenten steeds moeizamer. Om toch een ranglijst te kunnen vormen heeft Unilever het begrip Total Shareholder Return (TSR) in het leven geroepen. TSR omvat de koersstijging van het aandeel Unilever van de afgelopen drie jaar, waarbij de dividenden zijn herbelegd. Dit getal vergelijkt Unilever vervolgens met een zogeheten 'peer group' van 20 andere bedrijven, die gezamenlijk zowel de product-portfolio (van parfum tot voeding) als de geografische spreiding van Unilever moet dekken. Van de 20 concurrenten, zoals Heinz, L'Oréal en Philip Morris, wil het bedrijf bij de eerste zeven komen te staan. “In het afgelopen jaar zijn we van de twaalfde naar de tiende plaats opgeklommen. We hebben ons opgelegd om nog verder te klimmen”, aldus Tabaksblat gisteren.

Het financiële beeld wordt steeds ingewikkelder, maar dat ligt niet aan de bedrijfsactiviteiten die de afgelopen jaren juist overzichtelijker zijn geworden. Na de verkoop van de chemie zijn er nog drie sectoren over: voeding, wasmiddelen en 'persoonlijke verzorging'. En daarbinnen gaat het om veertien 'categorieën', zoals ijs of deodorant. Op de vraag of het concern nog verder zal afslanken, bijvoorbeeld door zich op te splitsen, bagatelliseerde hij de 'Nederlandse trend' van opsplitsing. “Ik zal u vertellen, ook het conglomeraat is weer in. Door al die enorme fusies van de laatste jaren ontstaan juist enorme conglomeraten.”

Unilever is geen conglomeraat meer, zei Tabaksblat, maar heeft zich beperkt tot de productie van snellopende, dagelijks gebruikte consumentengoederen. Bij Unilever is ook splitsing niet aan de orde. “Hoe dan?”, vroeg Tabaksblat. “In voeding en de rest? Juist door het totale assortiment, hebben we ook de voordelen van samenwerking, bijvoorbeeld bij nieuwe markten.” Door de herstructureringen zijn de producten relatief goedkoper geworden. “Soms zelfs absoluut: wasmiddelen zijn in tien jaar 30 procent goedkoper geworden. En omdat we meer ruimte hadden door de stijgende marges, hebben we de reclamebestedingen opgevoerd. Vooral in het vierde kwartaal.”

Voor analisten waren de tegenvallende winsten in de laatste drie maanden juist weer reden om te zeggen dat Unilever het jaar 'slordig' had afgesloten. Maar volgens Tabaksblat is de 'winstdaling' mede het gevolg van lagere pensioenkosten in het vierde kwartaal van 1996. “In plaats van een daling van het bedrijfsresultaat van 3 procent zou het resultaat zonder deze invloeden juist met 15 procent zijn gestegen.”

De effectenbeurs wist het gisteren niet meer. Na een aanvankelijk verlies van een paar dubbeltjes, won het aandeel in de loop van de dag weer wat. Uiteindelijk sloot het aandeel gisteren, ongestoord door de jaarcijfers, op dezelfde koers als dinsdag.