Prins moet oppassen met het IOC

De regering moet de uitspraken van W. Huibregtsen over Willem-Alexander niet als een slip of the tongue opvatten, vindt Harry van Wijnen. Ze zijn een programmatische verspreking die de ministeriële verantwoordelijkheid raakt.

Nog maar een week geleden werd prins Willem-Alexander onder de vaderlijke zegen van premier Kok naar zijn eerste belangrijke functie in het buitenland uitgezwaaid. Uit de gemoedelijke toegevendheid van de minister-president kon worden opgemaakt dat de regering de gemoedsrust had dat de kroonprins niet in zeven sloten tegelijk zou lopen. In het beraad dat daaraan was voorafgegaan had zij uiteraard de twee standaardvragen die onlosmakelijk met het vraagstuk van de ministeriële verantwoordelijkheid verbonden zijn onder ogen gezien. Kan het? Of kan het niet?

De regering besliste uiteindelijk positief. Dat standpunt was alleszins gerechtvaardigd. Het lidmaatschap van het Internationaal Olympisch Comité is een mooie gelegenheid voor de troonopvolger om sociale vaardigheid in een grote organisatie op te doen en tegelijkertijd internationale ervaring.

Zou de praktijk anders uitpakken, dan zou de regering alsnog kunnen bijsturen en de prins in het ergste geval kunnen terugroepen. Dat is vaker gebeurd zonder dat zich daarbij ongelukken hebben voorgedaan. Prins Benhard is zowel teruggeroepen als bijgestuurd, op grond van onaanvaardbare risico's die door de regering strijdig werden geacht met zijn constitutionele positie. In het eerste geval moest hij in 1959 een commissariaat bij de Steenkolen Handels Vereniging te Utrecht neerleggen dat hij een jaar tevoren met instemming van de minister van Economische Zaken, maar buiten medeweten van het kabinet, had aanvaard. In het tweede geval werd in 1964 zijn commissariaat bij de KLM omgezet in een buitengewoon commissariaat, waaraan geen stemrecht was verbonden. De regering vond die omzetting noodzakelijk om het bezwaar weg te nemen dat de prins aan de beslissingen van de onderneming deelnam. De verandering hield in dat hij wel alle vergaderingen kon bijwonen, maar bij het nemen van beslissingen buitenspel bleef. Hoewel de regering prins Bernhard in het algemeen met grote lankmoedigheid bejegende, liet zij hier de regel gelden dat een lid van het koninklijk huis nooit het voorwerp van politieke controverse of discussie mag zijn.

Willem-Alexanders lidmaatschap van het IOC leek door de nogal rauwe beschuldigingen die de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité, W. Huibregtsen, in de Volkskrant van gisteren over hem heeft uitgesproken al voor zijn installatie een twistappel van de eerste orde te zijn geworden, maar gisteravond was de bui alweer goeddeels overgewaaid. Huibregtsen, die zelf kandidaat voor de functie was geweest maar niet werd uitverkoren, had zijn woorden intussen betreurd, subsidiair teruggenomen, danwel ontkend.

Daarmee was de aanleiding voor een duel verdwenen voordat de minister-president tussenbeide had kunnen komen. De beschuldigingen waren een onbesuisde oprisping van een slecht verliezer, die alleen de verliezer blameerde. De 'betreurde' uitlatingen hoefden de ministeriële verantwoordelijkheid niet meer te activeren.

Dat betekent niet dat de regering kan overgaan tot de orde van de dag en de slaap weer rustig kan hervatten. De regering kan de uitspraken van de voorzitter van het NOC als ongedaan beschouwen, maar ze doet er verstandig aan het protest van Huibregtsen niet als een slip of the tongue op te vatten.

Vier daverende salvo's (en 'viermaal' saboteur, Judas, lafheid, blamage voor het koninklijk huis) zijn te veel voor een verspreking in een onbewaakt ogenblik. Het is veeleer een programmatische verspreking waarachter dieper liggende ongenoegens schuil gaan die zich later zullen wreken en ook de ministeriële verantwoordelijkheid zullen raken.

Voor premier Kok is er geen reden om zijn vaderlijkheid van een week geleden te betreuren. Maar van zijn gemoedelijkheid zal hij intussen wel genezen zijn. De regering blijft ongetwijfeld diligent, maar misschien moest zij toch wat kritischer kijken naar de Olympische organisatie, waaraan ze de kroonprins heeft toevertrouwd. Het IOC is een oligarchie, waarin de Spanjaard Samaranch vrijwel in zijn eentje de lakens uitdeelt en bepaald geen onomstreden besluiten neemt. De Nederlandse regering behoudt de vrijheid de kroonprins terug te roepen als zou blijken dat deze een marionet in de 'besluitenregering' van de autocratische Spanjaard mocht zijn geworden. Als de regering de politieke uitspraken die Samaranch de afgelopen vijf jaar heeft gedaan naast elkaar legt, kan zij er echter niet gerust op zijn dat diens politiek de positie van de kroonprins ongemoeid zal laten.

Gegeven de twijfelachtige democratische reputatie van het IOC verdient het overweging prins Willem-Alexander alsnog aan een buitengewoon lidmaatschap te binden om hem niet verantwoordelijk te maken voor de besluiten van de verlichte despoot uit Madrid. De sinistere opmerkingen die Huibregtsen in de Volkskrant over het IOC maakte, moeten de regering te denken geven: “Iedereen weet toch welke mensen in het IOC zitten, hoe het wordt geleid, daar kan een kroonprins uit een land als het onze zich niet mee associëren.”

Als ik in de schoenen van de minister-president stond, zou ik op dat punt de voorzitter van het Nederlands Olympisch Comité op zijn woord geloven.