Peuters van twee tot vier samen naar 'Voorschool'

In Amsterdam wordt in zogenoemde 'Voorscholen' gepoogd heel jonge kinderen zo vroeg mogelijk voor te bereiden op de basisschool.

AMSTERDAM, 11 FEBR. Vierjarige Tony rent samen met een vriendje naar de computer in de hoek van de klas. Ze hebben zelf mogen kiezen wat ze gaan doen. De computer kiezen ze elke dag, vertelt de blonde Tony. “Thuis doe ik altijd Mario”, zegt Tony met guitige oogjes. Dan tegen zijn klasgenootje: “Eerst mag jij, dan ik, dan jij, dan ik.” Aandacht voor wat om er hen heen gebeurt, hebben de twee niet meer.

In de klas van Tony op de Oscar Carréschool in Amsterdam zullen peuters vanaf twee jaar een aparte lesmethode volgen die in augustus begint met vier dagdelen per week.

De gemeente Amsterdam presenteerde vanochtend de plannen voor de zogenoemde Voorschool. In het nieuwe schooljaar gaan acht basisscholen samen met welzijnsorganisaties peuters in sociale-economische achterstandssituaties in een vroeg stadium proberen voor te bereiden op de basisschool. In hoofdzaak zal het gaan om allochtone kinderen die op die manier eerder worden gestimuleerd de Nederlandse taal te leren. Daarnaast krijgen zij meer speel- en leermogelijkheden aangeboden dan thuis.

“Op het gebied van het onderwijsvoorrangsbeleid is dit een van de meest kansrijke projecten”, zegt onderzoeker P. Leseman van het Kohnstamm-instituut van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Uit voornamelijk Amerikaans onderzoek is volgens hem gebleken dat ontwikkelingsstimulering voor deze zeer jonge kinderen zinvol is, maar dat de effecten op de basisschool uitdoven. Kinderen uit kansarme gezinnen blijken vaak toch weer op kwalitatief slechte scholen terecht te komen. Doordat de Voorschool met haar lesmethode aansluit op de basisschool, verwacht hij dat van 'uitdoving' veel minder sprake zal zijn.

De Voorschool is een vierjarig experiment en sluit aan op een landelijk experiment 'Voor- en Vroegschoolse Educatie' van de ministeries van Volksgezondheid en van Onderwijs dat sinds 1994 loopt. Daarbij wordt de lesmethode Kaleidoscoop toegepast die jonge kinderen in ontwikkeling stimuleert door ze activiteiten te laten ondernemen waartoe ze zelf het initiatief nemen. Ook wordt bij deze methode veel aandacht geschonken aan taalstimulering.

Volgens projectleidster W. de Savornin Lohman onderscheidt de Voorschool zich van het landelijk experiment doordat de basisschool waar de kinderen later terechtkomen er van meet af aan bij betrokken is. Ook door de omvang is het Amsterdamse experiment uniek. In totaal zullen 24 basisscholen deelnemen met 500 peuters en 2.500 kleuters.

De gemeente Amsterdam betaalt vier miljoen gulden aan het project dat in totaal tien miljoen gulden kost. De rest komt voor rekening van de acht deelnemende stadsdelen en de scholen.

Er moeten circa zeventig leerkrachten en peuterleidsters worden opgeleid. De intensieve werkwijze eist volgens De Savorin Lohman een dubbele bezetting van begeleiders. Eerdere projecten met vroegschoolse opvang en stimulering hielden in Amsterdam op te bestaan doordat er geen geld meer voor was.

PvdA-wethouder J. van der Aa (Onderwijs) pleit er daarom voor dat het rijk structureel geld vrijmaakt voor de voorschoolse opvang. “Eigenlijk is het een taak van het rijk. Alle partijen hebben voorschoolse opvang nu in hun verkiezingsprogramma staan. Na de verkiezingen moeten ze maar over de brug komen.”

Vorig jaar werd in Vlaanderen een einde gemaakt aan de 'pamperklassen'. Vlaamse peuters konden vanaf tweeëneenhalf aan hun schoolcarrière beginnen, maar de minimumleeftijd is nu opgetrokken tot drie jaar, omdat ouders de school alleen maar zagen als gratis kinderopvang.