Nagano

In de olympische wereld heersen chaos en rumoer. Wie een gesprek begint over de zin van het leven en de onzin van de Winterspelen, wordt berispt. Een normaal gesprek is nauwelijks mogelijk. Olympiërs schreeuwen en hijgen alleen nog. Verblinding en verdwazing alom. Op relativering staat verbanning uit deze wereld van naijver en hysterie.

Communiceren gaat langs een omweg, want het is in deze sfeer van alles overstemmend lawaai vrijwel alleen mogelijk via een computer en een telefoon. In elke olympische locatie staan beeldschermen waarmee men met elkaar zogenoemd kan 'e-mailen'. Zoiets als een briefje op een toetsenbord tikken en het door een druk op een knop verzenden naar degene met wie men wenst te communiceren. Wie geen bericht krijgt, prijst zich gelukkig geen deelgenoot te zijn van deze waanzin. Dan nog liever de zaktelefoon die de organisatie tegen betaling van huur- en belkosten ter beschikking heeft gesteld.

Hij is niet groter dan twee achterelkaar liggende luciferdoosjes en brengt verbindingen met de hele aardbol tot stand. De bezitter wordt herkend aan een geel tasje dat hij aan zijn broekriem draagt. Wie gebeld wil worden kan kiezen uit zeven belsignalen, variërend van piepjes tot muziekdeuntjes. Wie bang is in het olympische lawaai het geluid niet te horen, zet het signaal op de triller. Dus wanneer hij plotseling iets op zijn heup voelt kriebelen weet hij dat ergens in de wereld iemand probeert te communiceren. De meeste olympiërs verkiezen het piepsignaal. Soms begint een tiental telefoontjes tegelijk te piepen. Iedereen grijpt dan meteen naar zijn heuptasje in de hoop dat het zijn telefoontje is. Wie zeker weet dat hij niet gebeld kan worden, geniet van deze symfonie. Maar hij beseft niet dat het leven voor de olympiërs die wel een telefoontje hebben, een groot feest is.