Huibregtsen vreemde eend in de bijt

Voorzitter W. Huibregtsen van de sportkoepel NOC*NSF, die deze week felle kritiek leverde op de benoeming van kroonprins Willem-Alexander tot IOC-lid, trad acht jaar geleden aan. De sportwereld is nog niet aan hem gewend.

ROTTERDAM, 11 FEBR. Frederik Wouter Huibregtsen (58) was onbekend in de sport toen hij in maart 1990 voorzitter werd van het Nederlands Olympisch Comité. Hij had zijn sporen verdiend in de zakenwereld en maakte carrière bij het organisatie- en adviesbureau McKinsey, waar hij directeur van de Nederlandse vestiging is.

Ook na bijna acht jaar wordt Huibregtsen door velen in de sport nog als een vreemde eend in de bijt gezien. “Ik voel me soms een kleine allochtoon”, zei Huibregtsen onlangs in een vraaggesprek. “De gemiddelde mens in de sport beschouwt mij als iemand van een andere planeet. En dan wordt er verondersteld dat ik geen sporthart heb.”

Huibregtsen zegt juist een grote liefde voor de sport te hebben. Hij bedreef zelf meer dan tien takken van sport. Als hockeykeeper was hij actief op het hoogste niveau. Hij zou zelfs een hockeydoel in zijn tuin hebben staan. Zijn verdiensten als bestuurder in de sport zijn aanzienlijk. Onder zijn leiding werd in 1993 de fusie tussen het Nederlands Olympisch Comité (NOC) en de Nederlandse Sport Federatie (NSF) tot stand gebracht. Zijn voorgangers waren daar niet in geslaagd. Het lukte Huibregtsen ook de politiek bij de sport te betrekken.

Mensen hebben een verkeerd beeld van hem als persoon, vindt Huibregtsen. Hij wordt vaak kil en afstandelijk genoemd. “Maar het enige dat me in het leven echt interesseert is vriendschap en liefde.” Huibregtsen is de man achter de Stichting Kibiba. Die organisatie brengt de jeugd in zijn geboortestad Rotterdam in contact met kunst, sport en andere maatschappelijke ontwikkelingen. De helft van het inkomen van Huibregtsen gaat naar de stichting. De naam Kibiba wordt gevormd door de eerste twee letters van de namen van zijn drie kinderen.

Huibregtsen gaat op bestuurlijk niveau in de sport als zakenman te werk. Hij wil snel resultaat boeken en is uitermate ongeduldig. Dat geeft hij ook toe. “Als iemand iets uitlegt, is het vaak zo dat ik na tien seconden weet wat hij wil zeggen, terwijl ik nog vijf minuten geduld moet hebben.” Zijn snelle manier van werken en zijn harde uitspraken wekken binnen de sport en de politiek dikwijls irritatie op.

Zo reageerde Huibregtsen vorige maand in een debat in Den Haag openlijk teleurgesteld over de behaalde resultaten, hoewel de vijf belangrijkste fractieleiders in de Tweede Kamer net steun hadden betuigd voor een verhoging van het overheidsbudget voor de sport met vijftig miljoen gulden. Na afloop gaf hij toe dat hij misschien te hard had gereageerd.

Door zijn rechtlijnigheid is Huibregtsen voor een bestuurder wel opvallend populair onder de sportmensen. Toen er eind vorig jaar een keuze moest worden gemaakt tussen hem en Ard Schenk als officiële kandidaat voor het Internationale Olympische Comité, koos de atletencommissie van NOC*NSF niet de kant van de voormalig topsporter, maar onthield zich van stemming.

Huibregtsen ziet het lidmaatschap van het IOC als een mooie en ook logische stap in zijn sportbestuurlijke loopbaan. Zeven jaar lang beweerde hij geen ambities in die richting te hebben, maar toen IOC-baas Samaranch vorig jaar september op de Europese sportconferentie in Amsterdam de naam van de Nederlandse voorzitter noemde als mogelijke kandidaat, reageerde Huibregtsen snel. Hij liet de sportbonden hun steun aan hem betuigen.

Het grote probleem voor Huibregtsen is zijn slechte relatie met het Nederlandse IOC-lid Anton Geesink. “Anton heeft niets tegen mijn persoon, maar tegen mijn functie”, zegt hij. Huibregtsen probeerde de afgelopen jaren de relatie met Geesink te verbeteren, maar zijn toenaderingspogingen leverden geen resultaat op.