Gouden bergen

Het rendement van de pensioenfondsen bedraagt in totaal naar schatting tussen de 14,5 en 16,5 procent. Niet slecht. Het blijkt dat succes almaar groter succes uitlokt - de Eerste Wet van Bommel. En wie profiteert? De fiscus (nog) niet, de werknemers soms ook niet, maar zeker wel de bedrijven waarvan de pensioenfondsen winstgevender zijn dan de onderneming zelf.

De rijke pensioenfondsen zijn vorig jaar weer rijker geworden. En de arme? Ook die zijn er in 1997 op vooruitgegaan. Voor de pensioenbeheerders was 1997 een onvervalst jubeljaar, het derde op rij, en zelfs nog een tikkeltje beter dan 1996, zo zeggen verscheidene experts. Het rendement van de pensioensector op hun beleggingen van bijna 700 miljard gulden (per eind 1997)? Bijna 100 miljard gulden.

“Begin vorig jaar zeiden wij over 1996: dit was een bijzonder mooi jaar, verwacht niet te veel van 1997. Nu zeggen wij: het afgelopen jaar was prachtig, verwacht niet te veel voor 1998. Ik weet het niet meer”, bekent de directeur van een groot fonds dat de pensioenregeling uitvoert voor een hele bedrijfstak.

Nog meer dan in 1996 zullen de rendementen tussen de verschillende fondsen echter uiteenlopen, zo is algemeen de verwachting in de branche. De grote, rijke pensioenfondsen die veel in aandelen beleggen, hebben het best geprofiteerd van de voorgaande hausse op de aandelenmarkten in Europa en Amerika. “Als je ruim in de aandelen zit als pensioenfonds, dreunt dat aan”, zegt financieel analist L. Blom van adviesbureau Financiële Diensten Amsterdam (FDA).

De financiële crisis in het Verre Oosten heeft een aantal fondsen wel geraakt, maar na zes jaar malaise op bijvoorbeeld de Japanse effectenbeurs zijn de beleggingen in die regio relatief beperkt. “Wat het rendement heeft bepaald vorig jaar is: welk percentage van het vermogen had het fonds in aandelen en welk percentage zat daarvan in Azië”, zegt een financieel adviseur in de pensioenwereld. “Als het eerste percentage maar hoog is, valt de impact van Azië mee, en kun je toch nog een voortreffelijk rendement laten zien.”

Onder de pensioenfondsen met hoge percentages aandelen zijn traditioneel veel beheerders die voor specifieke ondernemingen werken, zoals Shell, Unilever en Philips. De afgelopen jaren zijn ook pensioenfondsen die voor hele bedrijfstakken werken, zoals SPF/Spoorwegpensioenfonds en PGGM (zorg en welzijn), in hoog tempo aanzienlijk meer in aandelen gaan beleggen.

Pensioenfondsen als het ABP (voor de sectoren overheid en onderwijs), die om historisch verklaarbare redenen relatief weinig in aandelen beleggen, zullen het vorig jaar opnieuw een stuk minder hebben gedaan, zo verwachten de experts. Hun Nederlandse beleggingen in effecten met een vaste rente (obligaties) hadden vorig jaar een matig rendement. Op Nederlandse aandelen konden beleggers het afgelopen jaar meer dan veertig procent verdienen, op Nederlandse obligaties niet meer dan een procent of zeven. Alleen door actief in internationale obligaties te beleggen, een strategie die steeds meer pensioenfondsen in praktijk brengen, viel nog een graantje extra mee te pikken. Internationale obligaties leverden vorig jaar bijna 19 procent rendement op.

'Wat ik tot nu heb gezien bij pensioenfondsen komt neer op een totaalrendement dat tussen 14,5 en 16,5 procent zit”, aldus een adviseur die bij verschillende fondsen over de vloer komt. “Bij de meeste zat het dichter bij de 16,5 procent dan bij de 14,5 procent. Met name voor beleggingen in aandelen was dit weer een fantastisch jaar.” Als enige pensioenbeheerder kwam Beon al met cijfers: ruim 19 procent.

De pensioenfondsen zijn het bewijs van de eerste Wet van Bommel: geld trekt geld aan. Dat werkt zo: pensioenfondsen die ruimschoots in aandelen willen beleggen moeten, op last van de Verzekeringskamer, tegenover de risico's van jojo-ende beurskoersen adequate financiële buffers hebben. Deze buffers zijn een soort spaarpotje, dat is opgebouwd uit beleggingswinsten, die hoofdzakelijk behaald worden op beleggingen in aandelen. Dit spaarpotje is een surplus dat de fondsen hebben bovenop hun pensioenverplichtingen en bovenop de veiligheidsmarge die zij daar nog boven leggen. Dit spaarpotje wordt doorgaans in aandelen gestoken: de categorie beleggingen met de hoogste rendementskansen voor een langetermijninvesteerder.

Pensioenfondsen die vroeg zijn begonnen met beleggen in aandelen, hebben deze buffers moeiteloos kunnen opbouwen tijdens de beurshausse van de afgelopen vijftien jaar. De afgelopen vijf jaar hebben zij dubbel geprofiteerd van de enorme koerswinsten: één keer op hun deels in aandelen belegde vermogen en nog eens extra op hun (volledig in aandelen belegde) buffers. De spaarpot werkte daarbij de afgelopen drie jaar als een vliegwiel: de hoge winst op aandelen in 1995 maakte de spaarpot van 1996 weer groter. Op dat grotere bedrag werd opnieuw een zeer hoog rendement behaald, en dat herhaalde zich vorig jaar nog een keer.

De opstapelende rendementen vertalen zich in gouden bergen voor de pensioenfondsen en steeds vaker ook voor de bedrijven waarvoor de pensioenbeheerders werken. Financieel analist Blom van FDA heeft al een hele lijst van ondernemingen die profiteren van suikeroom pensioenfonds. Philips krijgt dit jaar geld terug van zijn pensioenfonds. Het pensioenfonds van ABN Amro heeft in 1996 al zoveel geld verdiend, dat de bank eind 1996 al een potje van 337 miljoen gulden had gespaard voor toekomstige premiekortingen. Ook Ahold heeft een vergelijkbaar, zij het minder sappig appeltje voor de dorst bij zijn pensioenfonds.

De Nederlandse Spoorwegen, die sinds de verzelfstandiging geen pensioenpremie betalen, hoeven daar dankzij de eclatante resultaten van hun fondsbeheerder SPF ook de komende jaren geen rekening mee te houden. SPF boekte in de periode '92-'96 een rendement van 13,4 procent, twee procentpunt boven dat van het gemiddelde pensioenfonds. Een winst die goed is voor 1 miljard van het totale vermogen van het fonds van 15 miljard gulden.

Nedlloyd (containers, landvervoer) betaalt al sinds 1982 geen pensioenpremie meer, Unilever sinds 1990. Deze twee ondernemingen hebben ook al eens geld teruggekregen van hun pensioenfonds. “Als een bedrijf geen pensioenpremie hoeft te betalen heeft dat zijn invloed op de winst. Het gaat om niet verwaarloosbare bedragen”, zegt Blom.

Hij verwacht dat de dalende rente van de afgelopen maanden (richting 5,0 procent) de pensioenfondsen een nieuwe impuls zal geven om meer in aandelen te beleggen. Zij moeten gegeven hun pensioenverplichtingen gemiddeld 4 procent rendement behalen. “Het is onontkoombaar dat de limiet van 40 tot 45 procent aandelenbeleggingen die veel fondsen als maximum hebben, nog verder wordt verhoogd.”

De overrompelende vermogenswinsten komen op een moment dat in politiek Den Haag het b-woord weer zoemt. Topambtenaar S. van Wijnbergen van het ministerie van Economische Zaken kwam drie weken geleden in zijn nieuwsjaarsartikel in het weekblad ESB met een nieuw voorstel voor belastingheffing op de beleggingswinsten van pensioenfondsen. Zijn plan is ingebed in een ingrijpende wijziging van de belastingregels voor pensioenpremies en pensioenbesparingen.

Belastingheffing is een ware angstdroom in de pensioenwereld. Ruim tien jaar geleden kwam toenmalig minister van Financiën Ruding met voorstellen om de overreserves van de pensioenfondsen af te romen. De machtige lobby van werkgevers en werknemers, die samen de besturen van de pensioenfondsen bemannen, voorkwam uiteindelijk een fiscale ingreep.

Eind vorig jaar hebben de sociale partners een convenant gesloten met het kabinet. De plannen van het kabinet om desnoods onder fiscale dwang een versobering van de pensioenuitkeringen af te dwingen, zijn in de ijskast gezet. Om ze echt van tafel te krijgen moeten de sociale partners werk maken van beheersing van de pensioenkosten en modernisering van de pensioenen die onvoldoende aansluiten bij de veranderde samenleving (tweeverdieners, flex-werkers).