Dode dokter

Vorige zomer is Seertel overleden. Hij was huisarts in een van de dorpen rond onze stad. Kanker. De verslagenheid was groot. Een robuuste sportieve man, nog geen vijftig is hij geworden. Zijn vrouw is nu weduwe. Ik heb haar geschreven dat hij veel te vroeg en dat zijn wegvallen een groot verlies, en prijzende woorden.

Het is of ik een necrologie overschrijf uit het Tijdschrift voor Geneeskunde. De toon altijd eerbiedig, nadrukkelijk wordt al het positieve opgesomd: hardwerkend, dienstbaar, wetenschappelijk actief en geliefd bij zijn patiënten, soms gelardeerd met bizarre heroiek. De overledene deed een week voor zijn dood nog spreekuur, zo lees ik, het kankerdodend infuus in de arm. Daarom kan ik niet nalaten ze te lezen, denk ik.

Twee jonge specialisten in ons ziekenhuis zijn kort na elkaar overleden. Over de één wordt in bedekte termen gesproken. Gevoelige man. Hij kon er niet meer tegenop. Iedereen zucht en staat er bij stil. Bij de ander is het kanker. Als een steen door de ruit. De directie heeft het nieuwjaarsdiner sober gehouden. In betere tijden liep het wel eens uit op een vrolijk bacchanaal en toonde de kok het beste van zijn kunnen. Maar nu is er tevens de knellende budgettering die noopt tot krenterigheid. Er wordt een verpleeghuisversie van boerenkool geserveerd. Stil wordt er nagepraat. Nog meer doden komen ter tafel. Een jaar eerder een huisarts in een dorp enkele kilometers verderop. Weer het K-woord. Ook nog geen vijftig. Aan mijn tafeltje is iedereen de vijftig voorbij. Tevreden stellen we vast dat we niet bij de eerste oogst zitten en we praten weer wat weg. We zijn geen rokers en geen drinkers en onze genen zijn in orde, denken we. “Maar ineens wordt er een pistoolschot gelost diep in je lichaam en breekt de chaos los”, zegt de anesthesist bits.

Seertel werd bestraald op zijn hoofd, hij kreeg cytostatica en corticosteroïden. Van een atleet veranderde hij in een kaalhoofdige zwetende boeddha met een hompige nek, een gebogen rug, dunne ledematen en een uitpuilende buik. In een opleving tussen twee kuren bezocht hij nog een paar patiënten uit zijn praktijk. Een vrouw vertelt erover. Ze schrok toen hij aanbelde, en zei ontdaan “Gunst dokter, u hier?” Het was of ze de dood zag binnenstappen. Niet die benige kerel met de zeis uit vroegere tijd, maar in zijn moderne gedaante, een kale bleke watertomaat op tandenstokers.