De buitelende dotten van Marjolijn van den Assem

Tentoonstelling: Marjolijn van den Assem. Nijmeegs Museum Commanderie van Sint Jan, Franse Plaats 3. T/m 1/3. Ma. t/m za. 10-17 u., zo. 13-17 u.

Van 31/3 t/m 30/4 in de Rotterdamse Schouwburg, Schouwburgplein 25. Op voorstellingsavonden en -middagen, daarbuiten op afspraak: (010) 404 4111.

Mag tekenen of schilderen nog een obsessie zijn? Een klassieke fixatie op lijn en kleur, een dwangmatige bezigheid, een onvoorspelbaar proces? Je zou bijna zeggen van niet. Dit is een tijd van 'coolness' en 'concept', van bewust moeten weten én formuleren waar je als kunstenaar mee bezig bent. Prettig, want mocht een werk niet al te veel om het lijf hebben, dan kan het altijd nog verbaal worden aangekleed. Een kwast zomaar onbesuisd zijn gang laten gaan of een potlood nog 'ecriture automatique' laten bedrijven, zijn achterhaalde procedé's. Goed voor amateurs, met behoefte aan een therapeutische uitlaatklep.

Gelukkig trekt de Rotterdamse kunstenares Marjolijn van den Assem zich al jaren niets aan van wat hoort of niet hoort. In 1977 exposeerde ze voor het eerst, en na tientallen galerie-presentaties, is er nu dan weer een solo-tentoonstelling in een museum. Ze laat zo'n 25 grote tekeningen en kleinere schilderijen zien in het Nijmeegse Museum Commanderie van Sint Jan en later volgt in de Rotterdamse Schouwburg een serie werken op papier.

Zonder kompas zijn kwast en potlood weer aan het wandelen geslagen, ze joggen in alle richtingen over het vlak. De echte wandelaar mag dan op grenzen stuiten, papier of linnen kent geen obstakels. Het is alleen de vraag of er uit zo'n wirwar iets is gesmeed dat een eenheid suggereert.

Dat is Van den Assem wonderwel vaak gelukt. De tentoonstelling in Nijmegen bestrijkt een selectie uit het werk van de jaren negentig. Dat loopt uiteen van een heel klein doekje, waarop een trap en wat stoelen in een diep blauwe nacht een geheim bewaren, tot een groter, woest en mediterraan schilderij, opgebouwd uit een palet waar Matisse van zou houden. Afgaande op dat gloeiende oranje, dat net zo spectaculaire blauw en groen, vliegen we laag over een ideale Zuidfranse provinciestad. Met dat verschil dat huizen, wegen, bomen en monumenten aan het tollen zijn geslagen en alleen nog door de randen van het doek in bedwang worden gehouden, als ware ze bevangen door een zonnesteek.

In een interview in het Cultureel Supplement van deze krant, in 1986, vertelde Van den Assem hoe ze eens terugkeerde naar een snelstromende rivier en op die plek een sijpelend stroompje aantrof. 'De dynamiek had ik er zelf in gelegd', zei ze toen. Nu behoort natuurlijk elke kunstenaar wel iets uit te spoken met wat zich in de werkelijkheid aandient, maar haar 'ecriture automatique' verraadt inderdaad een hoge dosis dynamiek, een driftig jagen op beelden die op weg van hoofd naar vlak blijkbaar niet mogen ontsnappen. Vegen en dotten, krassen en likken, lijnen en vlekken: ze gaan samen op, doorkruisen elkaar en buitelen over elkaar heen, en dat gebeurde allemaal terwijl de kunstenaar zelf destijds op de grond in haar atelier zat, en ook letterlijk om de vlakken heen draaide.

Soms resulteert dat in fauvistisch aandoende landschappen, waarin de sfeer niet concreet in de dingen aanwezig is, maar wel voelbaar plezierig, verdrietig of dreigend aandoet. Het kleurgebruik is daarbij een graadmeter alsook een nervositeit, een spanning die de structuur en de samenhang van het schilderij prijsgeven. Zoals je moeizaam naar woorden zoekt om bij de kern van die ene emotie te komen, zo is ook in verf met man en macht - nat-in-nat èn laag-op-laag - naar de sfeer gezocht van die ene avond, langs die ene weg met dat ene bos. Zo'n onbevangen werkwijze levert voltreffers op, maar er is bij Van den Assem af en toe ook wel eens een doek ternauwerdood aan het fatale dichtslibben ontsnapt.

Willen de pasteuze schilderijen nog wel eens nadrukkelijk bekoren, in de tekeningen ontbreekt die lust nagenoeg. Ze hoeven geen Kunst te heten. En dan ontstaan er de origineelste composities die aldoende gegroeid zijn, zonder enige richtlijn. De hand waait bijvoorbeeld in zachte pastels al krassend mee tot zich een soort aardoppervlak vormt, waarin kasten, stoelen en rommel van het atelier in potlood zijn meegezogen. Boven die bonte, turbulente bodem bloeien bloemen, herkenbare soorten, naturalistisch neergezet - als een rustig, aards houvast. Dat atelier keert trouwens vaker terug, in inkt, kris-kras wervelend over het blad, alsof de verbeelding niet op reis wilde en het nabije interieur maar uitkomst moest bieden.

Verreweg de mooiste tekening in Nijmegen komt uit de collectie van het Stedelijk Museum in Schiedam: een roetzwart blad dat door enkele, uitgewreven witte verfbanen, een nachtelijk sneeuwlandschap zou kunnen zijn waar een wassende maan overheen strijkt. Maar in die nacht dansen tegelijkertijd talloze lijnen. Het zijn de zilverkleurige banen die het potloodgrafiet heeft afgelegd en die de donkerste duisternis ineens een patina geven dat zo oud lijkt als de mensheid. Wie met voorbedachte rade te werk was gegaan, had zo'n unicum nooit op papier gekregen.