Vliegrampen

Over Willem-Alexander en het Internationaal Olympisch Comité zal ik het, na het vele lezenswaardige in dit blad aangaande die benoeming, niet meer hebben. Maar één vraag brandt mij op de lippen: als je Ard Schenk had kunnen krijgen, dan moet je toch wel geweldige argumenten hebben gehad om uit te komen bij onze kroonprins. Wij hebben het dan over echte ervaring en echt vakmanschap - niet over ornamenten.

Maar dit verhaaltje gaat over Manchester United en de vliegramp in februari 1958, nu veertig jaar geleden. Een Brits BEA-toestel, op terugvlucht van Belgrado waar Manchester met 3-3 gelijk had gespeeld in een kwartfinale voor de Europa Cup-1, had een tussenlanding gemaakt in München. Het kreeg na de start niet voldoende hoogte en stortte neer in een besneeuwd landschap. Acht voetballers vonden de dood: Duncan Edwards, Eddie Colman, Mark Jones, Tommy Taylor, Roger Byrne, Harry Gregg, Albert Scanlon en Dennis Viollet. Drie voetballers overleefden de ramp: Bobby Charlton, Bill Foulkes en, na een lang ziekbed, ook de legendarische manager Matt Busby.

Zo werd een Europese topploeg met een geweldige klap van bijna haar complete elftal beroofd. Het deed denken aan de ramp van Torino, ik meen in 1947, toen die Italiaanse ploeg in het vliegtuig op weg naar huis een kerktoren in Italië raakte.

Intussen was er dan wel algemene rouw in Engeland, maar de competitie- en bekerverplichtingen moesten doorgaan. Terwijl Busby in het Münchense ziekenhuis aan de Isar vocht om te overleven, zwoegde de assistent Jimmy Murphy koortsachtig om een bijna totaal nieuw elftal te contracteren. Gelukkig stelde de Football Association een paar reglementen tijdelijk buiten werking, zodat men geen wedstrijden zonder te spelen gewonnen moest geven. Maar het duurde volle tien jaar, eer de ploeg weer op volle kracht was en er zijn veel Engelsen die geloven dat een middenvelder als Duncan Edwards nooit zijn gelijkwaardige in het Britse voetbal heeft gevonden.

Sinds 1958 bekijk ik de verrichtingen van Manchester United met meer sympathie dan die van andere Engelse clubs. Het is zelfs de vraag of landgenoten als Bergkamp, Gullit, De Goey en Overmars daar iets aan kunnen veranderen. Behalve de vreselijke catastrofe was daar ook de persoonlijkheid van de zeer sympathieke manager, de latere Sir Matt Busby, die Manchester United tot iets bijzonders maakte. Een wijze man met hart voor zijn spelers. Naar men zegt had hij in zijn lange loopbaan slechts een enkele speler niet in zijn greep: George Best, op en voorbij het veld even ongrijpbaar. Best heeft na zijn grillige carrière te hebben afgerond gezegd dat hij Matt Busby een bijzonder aardige man vond. Een soort vader voor hem. Maar op de vraag, die ook tegenwoordig nog gesteld wordt: “Bent u sterker dan drank?”, moest de kleine Noord-Ier ontkennend antwoorden. Maar met Best, die in de finale van 1968 schitterde, was het altijd een haat-liefdeverhouding tot zijn club. Hij deed wat hij wilde en was aanvankelijk een in de grote stad verloren kereltje uit Noord-Ierland, die in een paar jaar uitgroeide tot een geweldenaar binnen de lijnen en een 'man about town' er buiten.

Ondanks zijn uitspattingen bleef hij lang schitterend voetballen, maar tegen a-sportief leven was zelfs dit genie op de lange duur niet bestand. Hij ging niet in Parijs tenonder als sportman (zoals lang tevoren de schaatser-wielrenner Jaap Eden), maar je kon ook verzuipen in Manchester.

Voor Youri Petrov, zojuist ontslagen bij FC Twente, was de omgeving van Enschede al voldoende om ten onder te gaan. En wat lijkt dan moeilijk te verteren? Dat men hem in Waalwijk bij RKC onmiddellijk binnenhaalt.