Stillevens met Odol en Lucky's; Schilder Stuart Davis maakte pop-art avant la lettre

Tentoonstelling: Stuart Davis. T/m 29/3 in het Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. Dag. 11-17u. Catalogus: ƒ 75,-.

'I like to see things going on.' Stuart Davis (Philadelphia 1894 - New York City 1964) keek naar de televisie terwijl hij schilderde, meestal met het geluid uit. De tijd dat hij nog met een schetsboekje door New Yorks Greenwich Village, Chinatown, Soho en andere buurten liep, lag op het moment dat hij die woorden uitsprak, allang achter hem. Het dynamische stadsleven, de wereld die hem omringde van neonlicht, billboards en andere sensaties van het stadse leven, zoals de optredens van Thelonious Monk in de jazzclub Village Vanguard aan dezelfde 7th Avenue waar hij woonde, had hem geïnspireerd tot het maken van heldere, ritmische, bijna abstracte schilderijen, die even Amerikaans zijn als 'Chevrolet and applepie'.

Dankzij een tentoonstelling met schilderijen uit de periode 1912-1962 in de Peggy Guggenheim Collection - vorig jaar in Venetië tijdens de Biennale en nu in het Stedelijk Museum in Amsterdam - en de ruime aandacht voor zijn werk in het onlangs verschenen boek over de geschiedenis van Amerikaanse kunst van Robert Hughes American Visions, is Davis in Europa geen onbekende meer.

Lange tijd was hij in Europese ogen een wat marginale figuur: een Amerikaanse - iets te decoratieve - kubist. Kennelijk is de tijd nu rijp om hem, volkomen terecht, te beschouwen als een pré-Pop Art-kunstenaar, die mensen als Warhol, Rauschenberg, Rosenquist en vooral Roy Lichtenstein beïnvloedde.

Het chronologisch gehangen overzicht met vijfenveertig schilderijen in de benedenzalen van het Stedelijk Museum brengt Davis' ontwikkeling goed in beeld: van een Van Gogh-epigoon tot een Roy Lichtenstein avant la lettre. We worden meegenomen van de wat houterige Van Gogh/Munch-stijl naar zijn realistische New-Yorkse straatgezichten in de geest van de New-Yorkse schildersgroep The Eight, ook wel de Ashcan School, de Black Gang of de Black Revolutionists geheten, vanwege hun uit het leven gegrepen realisme, weergegeven in donkere tinten. We zien straatgezichten, die altijd schemerig en regenachtig zijn en doorgaans zonder mensen of met slechts een enkele figuur, zoals de treurige vrouw in rode jas met zwarte muts voor een apotheek in Bleecker Street, een sobere garagegevel met simpele opschriften als 'Stop' en 'Entrance', en duistere zaaltjes met spotlights op de girls.

In deze doeken zou je nog van enige verwantschap kunnen spreken met Edward Hopper. Zowel Hopper als Davis waren leerling van een belangrijk figuur in de Amerikaanse kunstgeschiedenis: Robert Henri (1865-1929), mede-oprichter van de schildersgroep The Eight, een schilder die van Davis's vader, een art-director van de Philadelphia Press, illustratieopdrachten kreeg. De anti-academische Robert Henri was vooral als leraar van groot belang: hij leidde een hele nieuwe generatie op - George Luks, John Sloan, Everett Shinn - in een sterk anti-conservatieve geest.

Davis, die in 1913 nog met vijf aquarellen vertegenwoordigd was op de beroemde tentoonstelling The Armory Show in 1913 en die helaas in Amsterdam en in de catalogus niet te zien zijn, ontwikkelde langzaam maar zeker vanuit het kubisme zijn eigen stijl. Hij zette zijn doeken bijna op als een grafisch ontwerper, meer als een invuller dan een opbouwer. De nadruk ligt bij hem dan ook op vlakverdelingen en contrasten die hij organiseert in een stijl die bijzonder Amerikaans overkomt: helder, los, ongecompliceerd en bijna vrolijk.

Terwijl Picasso en andere klassieke modernen altijd traditionele onderwerpen verwerkten in hun stillevens, verbeeldt Davis van meet af aan de nieuwe wereld van de twintigste eeuw. Geen stokbroden en wijnflessen meer maar een flesje Odol It Purifies en Lucky Strike. Of zoals in het doek Landscape with Garage Lights uit 1932, een tot heldere vormen en frisse kleuren teruggebracht havengezicht met benzinepomp en industriële buitenverlichting, geschilderd in een kader van rode en witte band.

In een serie doeken getiteld Little Giant Still Life varieert hij op de merknaam 'Champion' - Warhol zal later vergelijkbaar werk maken - en komt hij op een gegeven moment tot een versie van alleen maar zwarte lijnen op een lichte ondergrond. De serie doet denken aan een muurschildering van grote dansende letters die hij uitvoerde in 1921 voor een Soda fountain in Newark, New Jersey.

Hoewel Davis geen schilder is geweest die uitzonderlijke topstukken heeft voortgebracht is zijn oeuvre wel exemplarisch voor een bepaalde ontwikkeling in de Amerikaanse cultuurgeschiedenis. Als Davis iets heeft aangetoond dan is het wel dat nieuwe kunst niet zozeer voortkomt uit een traditie, maar dat je die haalt uit de realiteit.