Juffrouw De Boer

Waarschijnlijk vanwege haar geringe lengte gaf juffrouw Iet gymles aan bijna alle eerste en tweede klassen: de kleinste juf bij het kleinste grut. Een vrolijk mens dat een buffer vormde tussen de speelsheid van de jonge meiden en de ernst van het middelbare-schoolleven. Maar aan die lessen van juffrouw Iet kwam onherroepelijk een einde. En de angstige vraag die dan volgde, was natuurlijk: Wie krijgen we volgend jaar?

Mijnheer Van Boxtel was vermaard om zijn humor, juffrouw De Boer stond bekend als streng, zéér streng. Beide gaven uitstekend les. In mijn derde jaar werd het De Boer. Ze moet een jaar of vierenzestig zijn geweest toen wij haar kregen, maar aan haar krachtige manier van lopen was dat niet af te zien. Kaarsrecht, haar voeten geschoeid in buigzame, degelijke stappers, beende zij door de drukke gangen van het schoolgebouw als Mozes door de Rode Zee. De menigte week als het water uiteen om haar doorgang te verlenen. Zag zij haar weg geblokkeerd, dan wees een plotseling ingevallen stilte de boosdoener dreigend op haar wangedrag. Het was een mengeling van ontzag en angst die van werkelijk iedereen een onderdanige leerlinge maakte, er was geen ander op school die dat voor elkaar kreeg.

Angst had je voor haar schampere, bijtende opmerkingen tijdens de les. Zelfs het lenigste meisje ontsnapte niet aan haar sarcasme en was, als het zo uitkwam, weinig meer dan een hopeloze kruk. Het was daarom niet verwonderlijk dat al mijn klasgenoten en ik enkele weken na het begin van haar lessen er in slaagden het hoge plafond te bereiken met touwklimmen. Alleen al de manier waarop ze je aankeek, ze joeg je gewoon naar boven, en wie, zo'n twee meter boven de grond, begon te huilen, kon rekenen op een minachtende imitatie.

Nee, dikke vrienden werd je niet gauw met 'de boerin', zoals haar bijnaam luidde. Je koesterde respect, gevoed door een fikse scheut angst. Respect voor 'de boerin' dankte zij niet in de laatste plaats aan haar reputatie als deelnemer aan de Olympische Spelen. In Parijs (1924), Amsterdam 1928) en Los Angeles (1932) vertegenwoordigde zij Nederland. In de Verenigde Staten werd zij zesde in het onderdeel schermen, floret individueel. Al was dat vele, vele jaren geleden, ook bij het ouder worden was die faam bij haar gebleven. In haar schaarse goedmoedige buien kon zij met enthousiasme vertellen over die periode. Zoals die keer dat zij, destijds ooggetuige, beeldend verhaalde over een schoonspringster die tijdens de training plat op haar buik neerkwam en deze val niet overleefde. Mijn maag keerde zich om. De aanblik van ingewanden die naar buiten gulpten, zag ik onlangs uitvergroot terug in televisiebeelden over aangespoelde potvissen aan de Nederlandse kust.

Begin jaren tachtig ontmoette ik haar op een reünie van mijn oude school. De tachtig jaar was zij inmiddels gepasseerd. Iedereen die op haar toeliep, werd met een stralende lach begroet. Die vriendelijkheid - niet treiterig, maar welgemeend - paste eigenlijk niet bij haar persoon, wel bij haar leeftijd, vermoed ik. Ik wilde wat met haar praten, gaf haar een hand en noemde mijn naam. “Ben jij van voor de oorlog”, vroeg ze vriendelijk, mijn leeftijd al te rekkelijk inschattend. Ik schudde mijn hoofd. “Oh, jammer, ik kan me alleen de meisjes van voor de oorlog nog herinneren”, zei ze verontschuldigend.