De wielersport ontluisterd

Alleen Wout Wagtmans heeft, toen ik nog een kind was, een tijdje tot mijn verbeelding gesproken, maar voor de rest heb ik nooit veel van de wielersport moeten hebben.

De stank van corruptie heeft altijd rond die sport gehangen. De dopingschandalen hebben me nooit veel kunnen schelen - iedereen gebruikt, dus zijn de kansen weer gelijk. De omkooppraktijken hadden een schadelijker invloed op mijn belangstelling. Het is aangenaam om je als toeschouwer een poosje in een sportwedstrijd te verliezen, maar als je weken later moet horen dat de uitslag gemanipuleerd was, voel je je als een kind dat tot de ontdekking komt dat Sinterklaas nooit bestaan heeft.

Jan Cottaar en Theo Koomen hebben die corruptie lang voor ons verborgen kunnen houden, maar toen de tv-camera's met de kopgroep begonnen mee te rijden, zagen we de jongens soms live met elkaar onderhandelen. En ook al kregen we daarbij geen uitleg van Mart Smeets en Jean Nelissen - die ook alle belang hadden bij de mythe van een zuivere wielersport -, we konden met onze eigen ogen zien wat er gaande was.

Toen ik ook nog moest horen dat ploegleider Pellenaars in de jaren vijftig al die door mij bejubelde etappe-overwinningen van Wout Wagtmans en Wim van Est had gekocht, was de liefde definitief voorbij. Sindsdien kijk ik alleen nog naar de Tour om van de vergezichten in de Pyreneeën te kunnen genieten.

Nog altijd beziet de buitenwereld de wielersport met te veel naïviteit. Neem de documentaire die België 2 gisteren onder de titel 'Slaven op de fiets' aan de wielersport wijdde. De presentator noemde het een ontluisterende film. Dat was het in zekere zin ook - maar dan toch alleen voor degenen die al die jaren ziende blind waren. In België, nog niet zo lang geleden wielerland bij uitstek, moet dat negentig procent van de bevolking zijn geweest.

In 'Slaven van de fiets' werden alleen maar vernietigende feiten over de wielersport meegedeeld. Het was alsof de Belgische televisie met terugwerkende kracht al die jaren van goedgelovige, 'spannende' wielerreportages ongedaan wilde maken. Zou deze plotselinge aanval van eerlijkheid te maken hebben met het feit dat de Belgen tegenwoordig in de wielersport zoveel minder presteren dan pakweg twintig jaar geleden?

Ex-renners vertelden hoe ze met elkaar 'in slag gingen': jargon voor onderhandelingen over de eindzege. Meestal gebeurde dat in de eindfase, soms ook voor het begin van de koers.

Ex-ploegleider Eddy de Prins vertelde dat een van zijn renners zo'n afspraak eens aan zijn laars had gelapt. Het was zijn ploeg op een maandenlange boycot in het peloton komen te staan. De ex-prof Moeskops schatte dat zestig procent van de profkoersen wordt verkocht - en negentig procent van de amateurkoersen. De amateurs!

“Geld is belangrijker dan bloemen”, zei Moeskops, “ik neem een aanbod aan.” Renner Tom Desmet: “Als ik in de kopgroep zit, probeer ik de overwinning te betalen. Dat is goed voor de sponsor.”

Een verslaggever confronteerde een jonge, veelbelovende amateur met al deze verhalen. “Jammer”, zei de jongen. “Waarom doe je het dan eigenlijk nog?” vroeg de journalist. “Tja...” zei hij, en daar liet hij het bij.

Dopinggebruik is standaard. De Prins: “Er zijn bepaalde technieken om het te maskeren. Er worden ook wel afspraken gemaakt met controlerende artsen.” “Zonder doping kan een renner internationaal niet meedraaien”, zei een anonieme renner. Een renner nam het zijn ploeg zelfs kwalijk dat zij niet genoeg geld wilde investeren in dopingpreparaten. Sommige renners bleken leningen af te sluiten om het dan in godsnaam maar zelf te kunnen betalen.

De bestuurder van een belangengroepering van sportbeoefenaren gaf na afloop in de studio commentaar op de film. “In slag gaan, dat is toch niets nieuws”, mokte hij. “Dat gebeurt toch ook in de burgersamenleving: dienst, wederdienst.” De verklaringen van de renners deed hij af als uitingen van gefrustreerde, mislukte sportlieden.

Hij zal hopen op een nieuwe Merckx - want dan hoor je die kritische journalisten niet meer.