Chinezen Indonesië leven in stille angst

Met de verscherping van de crisis in Indonesië zijn opnieuw angstige tijden aangebroken voor de etnische Chinezen in het land. De kleine groep van rijke tycoons wordt uitgemaakt voor ratten, de Chinese middenstand krijgt de schuld voor de prijsstijgingen.

JAKARTA, 10 FEBR. Meneer Cui vindt het wel erg rustig in Glodok, de oude Chinese wijk van Jakarta. In de smalle Jalan Kemenangan verkoopt hij een soort maaltijdsoep, waarin hardgekookte eieren, aardappelen en stukken grijs vlees ronddrijven. Het is zaterdagochtend en normaal is het hier veel drukker, zegt Cui, die van Chinese afkomst is. Er zijn veel traditionele Chinese medicijnenwinkels in de Jalan Kemenangan waar behalve Westerse medicijnen, ook poeders en drankjes verkocht worden met ingrediënten afkomstig van bijvoorbeeld beren, apen en tijgers. Veel winkels ook waar zaken verkocht worden die te maken hebben met de Chinese Wihara Dharma Bhakti tempel verderop in de straat: offergeld, fruitschaaltjes, wierook, olie, kaarsen en allerlei rood papieren versierselen. Alles overheersend is de geur van de markt: van vis en varkensvlees (taboe voor de islamitische meerderheid van Indonesië), en van de kikkers, kokkels en krabben.

Maar nu is niets normaal, zegt Cui. Behalve de klanten die wegblijven, houden veel winkels, vooral in het elektronica-centrum een paar blokken verderop, de ijzeren rolluiken gesloten. De algemene verklaring voor de slapte, die je in Glodok hoort, is dat veel mensen nog met vakantie zijn na het Chinees nieuwjaar (28 januari) en na het islamitische Lebaran-feest (30 januari) aan het eind van de vastenmaand. En dat wordt versterkt door de economische crisis die Indonesië in haar greep heeft, waardoor klanten minder te verteren hebben en veel winkeliers er kennelijk de voorkeur aan geven nog even te wachten tot de koers van de roepia misschien weer stabiel wordt. Daar bovenop komen de geruchten, de eeuwige geruchten van Jakarta, volgens welke de Chinese winkeliers van Glodok dit weekeinde het mikpunt zouden worden van boze kopers. “We zijn nu eenmaal een minderheid zonder veel macht”, zegt Cui laconiek.

De etnisch-Chinese minderheid van Indonesië - volgens schattingen zijn er ongeveer zes miljoen Indonesiërs van Chinese afkomst op een bevolking van ruim tweehonderd miljoen - is in het verleden regelmatig het slachtoffer geweest van pogroms. En ook nu weer richt de onvrede zich tegen de Chinezen. Sinds de prijzen van eerste levensbehoeften als rijst en bakolie enige weken geleden begonnen te stijgen, zijn op verschillende plaatsen in Indonesië gewelddadigheden uitgebroken, meestal gericht tegen de winkels van etnische Chinezen. Tientallen winkels in diverse kleinere steden in Oost-Java, maar ook in Zuid- en Midden-Sulawesi werden belaagd door woedende klanten, die eisten dat prijsstijgingen ongedaan werden gemaakt. Afgelopen zaterdag nog werden in Bima op het eiland Sumbawa en in Ende op Flores winkels van Chinezen om dezelfde reden platgebrand.

Dr. Harry Tjan Silalahi, verbonden aan het Centre for Strategic and International Studies (CSIS), een voornamelijk door etnische Chinezen bevolkte denktank, onderscheidt drie oorzaken voor de animositeit tussen autochtone Indonesiërs en burgers van Chinese afkomst. “Behalve de etnische en culturele verschillen, is sociale jaloezie de belangrijkste reden voor het tegen de Chinezen gerichte geweld. Dat berust op de beeldvorming dat alle Chinezen in grote welvaart leven, terwijl oorspronkelijke Indonsiërs merendeels in armoede gedompeld zijn. Gezegd wordt ook altijd dat 70 procent van de economie in handen is van deze minderheid. De tegenstellingen krijgen nog eens een extra lading door religieuze verschillen. De meeste etnische Chinezen zijn christen, terwijl Indonesië overwegend islamitisch is.”

Het beleid van de Nieuwe Orde van president Soeharto is er altijd op gericht geweest de Chinese minderheid geheel te laten assimileren met de autochtone bevolking. Illustratief in dit verband was de dwang die kort na Soeharto's aantreden in 1966 werd uitgeoefend op Chinezen om Indonesisch klinkende namen aan te nemen. De meeste etnische Chinezen zijn onder de Nieuwe Orde ook overgegaan tot een van de officieel erkende religies, vooral het katholicisme (wat vaak werd ingegeven door de sfeerverwantschap tussen de traditionele tempel en de katholieke kerk). De belangrijkste drijfveer voor de assimilatiepolitiek was het heersende wantrouwen dat veel Chinezen politiek op een lijn zaten met de Volksrepubliek China, dat volgens de Nieuwe Orde achter de mislukte staatsgreep in 1965 tegen president Soekarno zat.

Het beeld van de 'rijke Chinees' wordt gevoed door een kleine elite van superwelvarende tycoons, die onder de protectie van president Soeharto en diens familie de afgelopen decennia reusachtige zakenimperia met vele vertakkingen hebben opgebouwd. De meerderheid van de Chinezen bestaat echter uit kleine neringdoenden en in Glodok is goed te zien dat de omstandigheden waarin zij verkeren niet veel verschillen van die van de rest van de Indonesische bevolking.

De vijandigheid tegen de Chinese winkeliers bezorgt veel Chinezen nu een gevoel van onveiligheid. En dat wordt nog versterkt nu de afgelopen weken ook de gefortuneerde Chinese zakenlieden door woordvoerders van het leger en van grote islamitische organisaties op de korrel worden genomen als de veroorzakers van de economische malaise. Luitenant-generaal Syarwan Hamid, ondervoorzitter van het parlement, typeerde de Chinese tycoons onlangs op een bijeenkomst in de Noord-Jakartaanse Sunda Kelapamoskee, als “ratten”. “Deze ratten hebben de vruchten gestolen van onze nationale ontwikkeling en zijn uitsluitend uit op eigenbelang”, zei Hamid. “Denk niet dat de mensen niet weten wie deze ratten zijn. Het is tijd ze te elimineren.”

De bezoekers van de tempel Wihara Dharma Bhakti aan de Jalan Kemenangan in Glodok zijn ongerust. Tussen de manshoge rode kaarsen zijn in het halfduister van deze traditionele klenteng, waar een pantheon van hele en half-goden wordt aanbeden, grote aantallen Chinezen in de weer met bossen smeulende wierookstaven en offergaven. Het drukst is het voor het beeld van Kwan Iem, ook wel de vrouwelijke Boeddha genoemd, waar schalen met fruit hoog staan opgetast. Een Chinese jongeman die zijn moeder begeleidt - hij wil niet bij naam worden genoemd - legt uit dat het vandaag de elfde dag is van het jaar van de Tijger. “Dat is een bijzonder onheilspellend jaar en vandaag is de dag waarop iedereen probeert Kwan Iem met offers gunstig te stemmen.”