Urinecontrole

“U.C.”, snauwt een bewaker. Ik krijg een pisbuisje in mijn handen gedrukt. Pissen op bevel is geen gemakkelijke zaak, en al helemaal niet als zo'n klerelijer pal naast je blijft staan.

“Moet dat nou?”

“Ja, en je weet waarom?”

Ik knik. Natuurlijk weet ik wat hij bedoelt. Zeker vijftig procent hier gebruikt, stuff in overvloed, en hij kan ook niet weten of ik er niet zo een ben die de drugsvrije pis van een ander - voor een telefoonkaart van ƒ 10 heb je al een kopje - als zijn eigen pis teruggeeft. Dat is tenslotte de droom van elke junk hier: gewoon blijven gebruiken, altijd goeie pis en niks geen gezeik meer. Op drugspis staat al gauw drie dagen cel, de tweede keer zes en daarna isolatie.

Ik loop naar de wc in de hoek. Voorzichtig schuifelt de bewaker achter me aan en als ik mijn gulp opendoe, gaat hij op zijn tenen staan.

“Kun je het zien, gluurder?”

“Je hebt nog een paar minuten en anders wordt het Iso, net zolang tot er wat in zit.”

Ik zet de kraan open. Maar ook dat helpt niet. Geen druppel.

“Zo is het genoeg, ga je goed- of kwaadschiks mee.”

Als kemphanen staan we tegenover elkaar. Ik met mijn lul uit mijn broek, hij met zijn walkietalkie in de aanslag. Maar ik heb geen zin in gezeur en loop braaf mee.

“Heb je er weer een, urinevreter”, brult 107.

“Hé, lullenbehanger”, giert 109. Binnen een mum van tijd bonkt en schreeuwt het hele blok mee. Maar het doet hem niks; hij geeft geen krimp.

“Een U.C'er voor de Iso”, mompelt hij in zijn walkietalkie als we er zijn.

“Als je de buis vol hebt, druk je maar op de bel.” Het is een heel lege cel, op een po na is er helemaal niks, pissen is het enige dat je rest.

“Fucking pis” staat in grote hanenpoten over de hele wand.

Vloekend laat ik me met mijn buisje op de grond zakken. Recht tegenover de po. Woedend kijken we elkaar aan. Voorlopig zijn we tot elkaar veroordeeld. Samen wachten we op mijn pis.