PORREN MAG, VECHTEN IS VERBODEN

Vrouwen die ijshockeyen. Dat is even wennen. In Nagano strijden zes vrouwenteams voor het eerst om olympische medailles. Vechten doen ze niet, maar hard spelen ze zeker.

Wanneer ze het ijs van de Aqua Wing opspringen, schreeuwen ze als leeuwinnen. Hardrock knalt door de luidsprekers. Ze jagen elkaar op in vurige opwarmrondjes, botsen per ongeluk tegen elkaar, vallen, krabbelen weer op en schaatsen snel verder alsof de duivel hen op de hielen zit. Het is even wennen wanneer vrouwen zich gillend opmaken voor een ijshockeywedstrijd, maar anders dan mannen het doen is het niet. Na een paar minuten wedstrijd is de cultuurschok uitgewerkt. IJshockey blijkt ook voor vrouwen de snelste en agressiefste teamsport ter wereld.

De kleine Chinese vrouwen doen in snelheid niet onder voor de stevige Amerikaanse speelsters. En gemeen en geniepig zijn ze allemaal. Net als mannen porren ze strijdlustig een elleboog in de buik of het gezicht van een tegenstander. Wanneer de scheidsrechter het ziet, moeten ze een straf van twee minuten uitzitten. Zelfs een stevige bodycheck, hard tegen de tegenstander oprijden zonder armen en benen als wapens te gebruiken, wordt bestraft. Dat is bij de mannen wel anders. Daar mogen bodychecks wel. Lijfelijk contact is bij mannen zelfs noodzaak.

Vechtpartijen tussen de vrouwen zijn er zelden. In tegenstelling tot bij de mannen. Daar is een ijshockeyer pas een echte ijshockeyer wanneer hij een stevige robbertje durft uit te vechten. Even de handschoenen uit en met elkaar op de vuist, nee, dat is niets voor vrouwen. Maar dat betekent niet dat ze bang zijn en botsingen proberen te vermijden. Amerikanen en Canadezen, maar ook Zweden en Finnen gaan elkaar op de ijsvloer niet uit de weg.

Tijdens het eerste wereldkampioenschap ijshockey voor vrouwen, in 1990, waren bodychecks nog wel toegestaan. Maar halverwege het toernooi besloot de organisatie in overleg met de ijshockeybond de regels snel te veranderen. Het grote aantal blessures gaf veel reden tot kritiek op het vrouwenspel. “Ze wilden te graag. De eerste wedstrijden tussen Canada en Amerika liepen uit de hand. Sommige meisjes gingen als wilden te keer. Het spel is nu wel beter geworden. Er wordt nu meer ijshockey gespeeld. Hard, maar fair. Nog steeds hoor je kritiek. Omdat het niet vrouwelijk is, zegt men dan. Wat een onzin”, zegt Shelley Looney, een 26-jarige Amerikaanse uit Trenton, Michigan.

Looney weet hoe ruw vrouwen kunnen ijshockeyen. Wanneer ze na afloop van de wedstrijd Verenigde Staten-China 6-0 in de mixed zone (interviewruimte bij de kleedkamers) hijgend en bezweet staat na te praten, wijst ze op haar gezicht. “Kijk, een litteken van een kaakoperatie. Ik heb verder nog een paar een jukbeen gebroken en een knieoperatie ondergaan. Vorig jaar nog, drie dagen na het wereldkampioenschap. Maar ik wil blijven spelen. Ik ben echt niet banger geworden. Straks, als we tegen Canada spelen, gaan we er wel vol in. Dan zullen we laten zien hoe goed we zijn en dat we ook hard kunnen spelen.”

Looney heeft eerder veldhockey en rolhockey gespeeld. “Als ik aan mensen vertel dat ik hockey, denken ze meteen dat ik aan veldhockey of rolhockey doe. Ze kunnen zich niet voorstellen dat ik op ijs hockey. Dat vinden ze te hard voor vrouwen. Ik heb veel veldhockey gedaan, maar ik vond het zo traag en saai, zo ouderwets vrouwelijk. Er zit lang niet zo veel vuur en strijd in als in ijshockey. Toen ik op highschool voor het eerst ging ijshockeyen, wist ik het meteen. Hockey drives me crazy, wow!.

Cammi Granato, een 26-jarige Amerikaanse uit een buitenwijk van Chicago, Downers Grove, speelt al bijna heel haar leven ijshockey. In basketbal, tennis en volleybal was ze op school ook goed, maar ijshockey is toch haar favoriete sport. Als jong meisje speelde ze met haar vier broers en hun vriendjes al fanatiek. Haar broer Tony is prof bij de San Jose Sharks en maakte in 1988 deel uit van het Amerikaanse olympische team. Ze is vrij klein van postuur. “Maar ik ben wel erg snel”, zegt de aanvoerster van de Amerikanen.

Erin Whitten, een 26-jarige Amerikaanse uit Glens Fall, New York, is doelvrouw man. Ze is niet zomaar een keepster. Ze was de tweede vrouw die met mannenprofs speelde. In 1993 stond ze in het doel van Toledo, een profteam in een minor-league, waar talenten voor opgeleid voor de grote clubs in de National Hockey League. En Toledo won, met Whitten in het doel. Ze kreeg lang niet zoveel aandacht als de Canadese doelvrouw Manon Rhéaume, die eerder in een demonstratiewedstrijd tussen twee NHL-teams speelde, maar in tegenstelling tot Whitten niet won. “En dat is een heel verschil”, weet Whitten. Tegen de Chinese vrouwen kwam ze nauwelijks toe aan het tonen van haar kwaliteiten. “Ik heb weinig schoten gehad. Maar ik ben wel uitgeput. Concentratie is het belangrijkste voor een keepster. Dat sloopt je krachten.”

Naast haar zijde in de mixed zone barst Looney in lachen uit. Kennelijk is haar weer een vraag gesteld over haar littekens en blessures. Want ze zegt tegen een Japanse journalist: “Vind je me geen mooie vrouw? Kijk, ik heb al mijn tanden nog.” Whitten lacht mee over weer een misverstand. “Toen ik nog jong was, wist ik ook niet dat vrouwen hockeyden. Nu zijn wij de rolemodels. Wij laten meisjes zien hoe leuk ijshockey is. Daarom is het goed dat wij op de Winterspelen mogen spelen. Dat is goed voor de sport.”

De Canadese vrouwen zijn de beste ijshockeyspeelsters. Ze zijn al vier keer achter elkaar wereldkampioen geworden. En in wedstrijden tegen het Amerikaanse team wonnen ze tot nu toe elke keer. Coach van de Canadezen is Shannon Miller. Zij is de eerste vrouwelijke ijshockeybondscoach ter wereld. Onder haar leiding bereidden de Canadezen zich meer dan een half jaar voor op de Winterspelen. Ze speelden wedstrijden in de Verenigde Staten, in Zweden en Finland en vertoefden wekenlang in trainingskampen. Ze hielden demonstratietrainingen en lezingen, bezochten ziekenhuizen en kinderhuizen en vertelden hoe mooi een sport als ijshockey voor vrouwen is.

Een profcompetitie is er nog niet, noch in de Verenigde Staten noch in Canada. “Maar dat duurt niet lang meer”, weet de Amerikaanse Whitten. “In 1994 is men in verschillende staten van Amerika op middelbare scholen met ijshockeyprogramma's begonnen. De universiteiten zullen snel volgen. In 1991 waren er nog ruim vijfduizend ijshockeysters in Amerika, nu al bijna 21.000. Er zijn nu zevenhonderd vrouwenteams. Na de Winterspelen zal dat aantal ongetwijfeld groeien.”

Tijdens het IOC-congres van 1992 in Albertville werd besloten dat vrouwenijshockey voor het jaar 2.000 op het programma van de Olympische Spelen moest staan. Een verzoek van het IOC aan Lillehammer om er al in 1994 mee te beginnen, werd door de Noorse organisatie afgewezen. De Japanse organisatie was bereid het wel op het programma te zetten, mede omdat in Japan ook door vrouwen ijshockey wordt gespeeld. Het betekent alweer een overwinning van de olympische commissie voor vrouwensport. In Atlanta werden softbal en voetbal al olympisch. Whitten kan zich de gouden medaille van het Amerikaanse vrouwenvoetbal team nog goed voor de geest halen. “Zo'n triomf hebben wij ijshockeyers ook nodig. Dan zijn we van het vooroordeel af dat vrouwenijshockey niet belangrijk is.”

Zes vrouwenteams strijden om de medailles in de Aqua Wing van Nagano, een prachtig ijspaleis waar gisteren vijfduizend toeschouwers aanwezig waren om de Canadese vrouwen de Japanse te zien verslaan. Het werd 13-0. Drieduizend toeschouwers zagen het Amerikaanse team met 6-0 van China winnen. Shelley Looney heeft na afloop nog een vraag aan de vreemdeling in het land van ijshockeyvrouwen. “Where are your from? Holland? Zeg de meisjes maar dat ze daar ook moeten gaan ijshockeyen. Het is zo heerlijk. Je kunt je zo lekker uitleven. I love hockey.”