Minder badderen

Amsterdammers zijn kwistig met het gebruik van water. Ze douchen relatief vaker en langer dan gemiddeld. Uit onderzoek blijkt dat dit vooral geldt voor allochtonen. Maar royaal gebruik van water zien Amsterdammers niet terug in hun rekening, want ze betalen naar het aantal vertrekken in hun huis.

Daar komt nu een einde aan. “Ik begrijp best dat mensen die hier komen wonen, hun eigen watercultuur willen houden, maar dan moeten ze daar meer geld voor overhebben”, zei PvdA-wethouder Ter Horst vorig jaar al.

Afgelopen week besloot de gemeenteraad tot de invoering van watermeters, als laatste gemeente van het land. Een historisch besluit, sprak Ter Horst niet zonder trots. De kosten: meer dan een half miljard gulden. “Een leuk werkgelegenheidsproject”, zegt VVD-raadslid E. Bouma. “Dat bedoel ik cynisch hoor”, voegt hij er meteen aan toe.

Amsterdam gaat de watermeters geleidelijk invoeren. Over dertig jaar moeten praktisch alle 360.000 woningen zijn voorzien. Nieuwbouw- en renovatiewoningen zijn het eerste aan de beurt, daarna volgen de huizen die al op de aanleg van een watermeter zijn voorbereid, dan de overige huizen. Een watermeter gaat bewoners circa zeventig gulden per jaar kosten, maar dit bedrag zal deels worden gecompenseerd door zuiniger gebruik, verwacht de gemeente. De Groenen, de Socialistische Partij en de VVD stemden tegen de watermeters.

Grote gezinnen in kleine huizen, die nu nog relatief weinig voor water betalen, krijgen volgens VVD'er Bouma te maken met een grote lastenverzwaring. “Dat zijn vooral allochtonen. Zij gaan wel een paar honderd gulden per jaar meer betalen.” Omdat de meeste Amsterdammers nauwelijks kunnen bezuinigen op watergebruik in de tuin, simpelweg omdat ze geen tuin hebben, moeten ze volgens Bouma besparen op “douchen en badderen”. Dat kan negatieve gevolgen hebben voor de volksgezondheid. De ruim 500 miljoen gulden zou beter besteed kunnen worden, vindt de VVD.

Dat de VVD zo tegen de watermeter is, is historische gezien opmerkelijk. In 1903 was het juist het liberale raadslid O. Kamerlingh Onnes die de discussie aanzwengelde. Hij vond dat er sprake was van een “onzinnige verspilling van water” zonder dat de gemeente daar iets tegen deed. Maar hij kreeg de gemeenteraad niet mee. Invoering van watermeters was te duur en volgens directeur J. Pennink van de Gemeentewaterleidingen zouden bovendien in dat geval de “mindere klassen meer moeten betalen dan de gegoeden”.

De discussie kwam met enige regelmaat terug, maar tot een ingrijpend besluit kwam het nooit. Het aantal klachten nam echter toe, vooral van bewoners van grote huizen omdat zij immers relatief veel betalen. Een van die klagers is R. Rozendaal, verhuurder van twee woningen, die 1.500 gulden per jaar betaalt maar zegt voor hooguit 500 gulden water te verbruiken. De klagers vonden dat aan het achterhaalde en milieu-onvriendelijke systeem een einde moest komen. De gemeenteraad was het in meerderheid met hen eens.

Daarmee verdwijnt het systeem dat sinds de start van de waterdistributie honderdveertig jaar geleden in gebruik was. Maar Rozendaal is niet tevreden. “Een ongans plan van domme politici.” De situatie blijft nog dertig jaar voortbestaan. En met de komst van watermeters gaan de waterprijzen omhoog. Rozendaal vindt dat water naar het aantal personen in een huishouden berekend moet worden.

Over de vraag of met meters water bespaard zal worden, lopen de meningen uiteen. Het waterbedrijf in Amsterdam verwacht wel meer juridische procedures en sociale spanningen omdat er met watermeters meer afsluitingen wegens wanbetaling plaats zullen vinden. In de hoofdstad gebeurt dit nu bijna nooit. In het bemeterde Den Haag wordt jaarlijks bijna twee procent van de woningen van water afgesloten. Als de hoofdstad dit voorbeeld volgt, wordt in ieder geval water bespaard.