Mijn vaders lichaam

In mijn nachtkastje staat een gammel sigarenkistje, merk Willem II. Het stamt uit de tijd van voor mijn geboorte, uit de tijd dat mijn vader nog rookte, waarschijnlijk midden jaren vijftig. Jarenlang heeft het in zijn bureau gestaan. Hij had veel van dergelijke kistjes. Voorzien van blikken knipslot, beugelslot of haakslot deden ze goede diensten als geheime depots voor potloden, elastiekjes, foto's, bonnen en wat al niet.

In het kistje met het koperen haakslot vond ik een handjevol melktanden van mijn broers en mijzelf terug. Dat ze niet stuk voor stuk zijn te identificeren doet me goed. Had mijn vader elk tandje van een initiaal voorzien, dan hadden we het afgedragen glazuur waarschijnlijk opgedeeld. Nu beheer ik onze kindergebitten.

Mijn vader moet een stevige roker zijn geweest. Het heette dat hij mooie rookkringen kon blazen maar ik heb het hem nooit zien doen. Om zijn radicale manier van stoppen met roken, 'van de ene dag op de andere', werd hij door alle ooms en tantes geprezen. Die rookten overigens onverdroten voort; op familiefeestjes stond de kamer blauw van de rook. Mijn vader gaf geen kik hoewel hij er door zijn astma-bronchitis wel last van moet hebben gehad.

Verstopt onder de tafel in de voorkamer zag ik eens hoe hij met een kistje rookwaar naar een verre oom toeboog, een man die ik alleen kende van de grote verjaardagskring. De samenzweerderig gebogen rug van die verre oom verried dat hij het gebaar naar waarde wist te schatten. Mijn vader lachte geluidloos, de ander dankte met een stille grijns. Daarna losten ze op in rook, druk gepraat en muziek. Ik concentreerde me weer op de benen van mijn tantes.

De inhoud van het sigarenkistje naast mijn bed bestaat uit documenten die ik voor het eerst na de dood van mijn vader te zien kreeg, nu twee jaar geleden. Souvenirs van een leven dat voorbij is. Waarschijnlijk ben ik de enige voor wie ze nog betekenis hebben en waarschijnlijk zijn ze in hoge mate overbodig. Toch is de gedachte dat ik ze ooit zou kunnen kwijtraken me een gruwel. Laatst droomde ik dat zwijgzame heren van de Binnenlandse Veiligheidsdienst mijn huis doorzochten. Ze zeiden het niet maar ik wist meteen dat ze voor het kistje met de paspoorten kwamen. Die hoorden in het archief van de gemeente, dat had ik kunnen weten.

Het kleinste sigarenkistdocument is een persoonsbewijs. Een grijsbruin uitvouwvodje met wat dikgedrukte nummers in de bovenmarge. Het werd kosteloos verstrekt, zoals een kadertje aangeeft, op 29 oktober 1941, waarschijnlijk omdat mijn vader als vrachtwagenchauffeur werkte en soms de grens over moest. Hij was tweeëntwintig en woonde nog bij zijn ouders. Ik denk dat het zijn eerste officiële papier was.

De portretfoto toont driekwart van het gezicht. Pa ziet er keurig gekapt en hoogst ongelukkig uit. Zijn dunne zwarte haar glanst. In de familie werd wel eens gefluisterd dat hij met tegenzin op de foto ging, wat iedereen betreurde want mijn vader was eigenlijk bijzonder fotogeniek. Het familiealbum ondersteunt dat gerucht. Nu eens staat hij stuurs met de handen aan zijn bretels, dan weer wijdt hij zich stoïcijns aan activiteiten alsof hij zich van geen camera bewust is: met een hooivork op het land, boogschieten op het erf, kaarten, schaken.

Het gaat mij nu om dat persoonsbewijs uit de oorlog. Op de achterkant van de foto staat een afdruk van de rechterwijsvinger. Een smalle vinger zo te zien, ongetwijfeld met weerzin in een inktkussentje gedrukt en vervolgens tegen het papier van het persoonsbewijs. Mijn vader haatte elke medewerking aan autoriteiten, zelfs als het alleen maar om een registratie ging. Juist die ene vingerafdruk maakt het persoonsbewijs zo waardevol. Naast een stapeltje foto's is de afdruk van deze huidmeanders het enige bewijs dat mijn vaders lichaam heeft bestaan.

In de familiebijbel speur ik nog wel eens naar een huidflinter of een zwarte spriet, maar het zal tevergeefs zijn want pa hield niet van rommel. Hij had geen hoge dunk van zijn lichaam, mijn vader, met uitzondering van één orgaan. De dokters hadden hem verteld dat hij een sterk hart bezat en daar was hij wel trots op. Van zijn longen was bijna niets meer over maar zijn hart tikte voor twee. Hij hoorde ervan in de laatste maanden van zijn leven en overwoog om het ter beschikking te stellen. Wie weet, misschien was iemand anders er mee geholpen. Uiteindelijk zag hij er van af; wanneer hij toch al niet meer kon verder leven vond hij de gedachte een beetje griezelig dat er ergens een deel van zijn lichaam in een ander lichaam verdwaalde.

De uitvaart moest sober zijn. Tot op het laatst geneerde mijn vader zich ervoor om het middelpunt van de belangstelling te zijn. Geen bloemen, geen toespraken. Dat de familie dit niet erg waardeerde kon hem niks schelen. Terwijl we tegenover de kist stonden stelde ik me voor hoe hij daar lag; een beetje stug, met de handen aan de bretels. In werkelijkheid lag hij sereen uitgestrekt, in een bordeauxrode pullover en met de handen op de buik. De glimlach op zijn gezicht hadden de verpleegsters aangebracht.

Toen ik mijn beste vriend het persoonsbewijs liet zien zei hij: leuk hoor, maar wat moet zo'n religiehater als jij nou met zo'n relikwieëndoosje! Je hoeft het niet gelijk weg te gooien, maar je moet er wel voor oppassen om in idolatrie te vervallen.

Ik ben er aan gewend dat mijn vriend mij met klinkende redeneringen omkegelt, maar de schok kwam harder aan dan gebruikelijk. Hij was trouwens nog niet uitgepraat. Je hebt dat persoonsbewijs helemaal niet nodig, zei hij. Jijzelf bent een vingerafdruk van je vader. Duidelijker spoor van zijn aanwezigheid heeft hij nergens achtergelaten.

Mooie woorden vriend, dacht ik, mooie woorden. Maar dat kistje blijft waar het staat. Dicht bij de plek waar ik mijn dromen droom.