MARC JOHNSON OVER Twee gitaren

Marc Johnson: The Sound of Summer Running (Verve 314 539 299-2). Distr. Polygram

AMSTERDAM, 9 FEBR. “Ik ben altijd dol geweest op gitaristen. In mijn tienertijd was Jimi Hendrix mijn grote idool, maar ik hield ook van The Beatles, Z.Z. Top en de Allman Brothers. Zelf gitaar spelen heb ik echter nooit geambieerd. Dat gedoe met die fretten vind ik niks en zes snaren zijn er voor mij net twee te veel.”

Marc Johnson (Nebraska 1953) begon als cellist in een studentensymfonieorkest. In de jazz vestigde hij zijn naam als contrabassist in het laatste trio van de legendarische pianist Bill Evans (1929-'80). In '85 maakte hij zijn eerste plaat op eigen naam: Bass Desires, met in de frontlinie Bill Frisell en John Scofield, twee gitaristen op weg naar roem. In '87 volgde een tweede lp met dit duo en onlangs verscheen The Sound of Summer Running met opnieuw Bill Frisell plus daarnaast Pat Metheny, een ander zondagskind op de (jazz)gitaar.

“Mijn muzikale identiteit hing zo sterk samen met mijn rol bij Bill Evans dat ik om niet in herhaling te vallen na diens dood iets volkomen anders wilde. Via gitarist John Abercrombie die mij vroeg voor een ECM-plaat maakte ik kennis met labelchef Manfred Eicher en die opende voor mij de deur. De samenwerking met Frisell en Scofield voor Bass Desires verliep zo goed dat er een 'working band' uit voortkwam. We toerden door de hele wereld en stonden in '88 en '89 o.a. op het North Sea Festival.

Hoewel het ook tussen Frisell en Metheny bij de opnamen geweldig klikte en evenzeer tussen hen en mij, zal er dit keer niet zo makkelijk van toeren komen, zeker niet op korte termijn. Ze hebben allebei hun eigen bands en ze worden daarnaast zo frequent als sideman gevraagd dat je bijna god moet zijn om ze bij elkaar te brengen.

Dat het voor deze cd gelukt is, is dus eigenlijk een wonder en was alleen mogelijk doordat Metheny net weg was bij Geffen en nog niet getekend had voor Warner Bros. In de herfst van '95 ben ik begonnen met bellen en ze waren allebei heel enthousiast maar hadden net nog 'even' iets anders te doen. 'That sounds very interesting,' zei Metheny bijvoorbeeld, 'bel me nog maar eens over een jaar.'

Ik had me dit alles tevoren wel gerealiseerd en was daarom vastbesloten veel meer dan bij mijn debuutplaat zelf achter het stuur te gaan zitten; driekwart van de composities is daarom van mijzelf. Dat Summer Running een optimistische sfeer uitstraalt komt overeen met de periode die ik doormaak. De zaken zien er beter uit dat ooit tevoren. Ik heb een bijzondere plaat gemaakt voor een label met werelddistributie.

Dat die twee gitaristen meer aandacht naar zich toe trekken dan ikzelf vind ik geen probleem, ik wil spelen met de beste muzikanten die ik kan krijgen. Dienend spelen bij bijna-genieën is beter dan baas te moeten spelen over tweederangstalenten. Daar komt bij dat juist zulke professionals bereid zijn hun ego's in dienst te stellen van een groepsprestatie.

Na twee dagen repeteren gingen we onbekommerd de studio in. Dat nog niet alles tot in de puntjes was gearrangeerd baarde me totaal geen zorgen. Als je bij musici van dit kaliber alles voorkauwt smoor je alleen maar dingen in de kiem: een heel gek tegenfiguurtje, een onverwachte modulatie. Frisell en Metheny zijn vooral melodisch zulke fenomenen. Ik ben heel trots dat ik ze voor het eerst op de plaat heb samengebracht en wat mijzelf betreft: wat is er mooier dan het spelen van een mooie baslijn bij een melodie die je zelf hebt bedacht en door anderen nog wordt verrijkt?''