Jeugdwerkloosheid blijft zorgelijk; Part-time werk dient behoorlijk betaald te worden

Uit recent gepubliceerde cijfers van het CPB blijkt dat het goed gaat met de werkgelegenheid. Ook de jeugdwerkloosheid zou niet langer een probleem zijn. Maar op die laatste conclusie valt volgens W. Salverda wel het één en ander af te dingen. Kanttekeningen bij een roze bril.

Onlangs bracht het CBS cijfers naar buiten die een eerste terugblik mogelijk maakten op de arbeidsmarktontwikkeling van 1997. De meest sprekende conclusie werd getrokken door Arbeidsvoorziening: de jeugdwerkloosheid is niet langer een probleem.

In de jaren zeventig en tachtig was dat wel anders. Op het dieptepunt was - op jaarbasis - waarschijnlijk een op de twee schoolverlaters werkloos. Zou deze schandvlek van de Nederlandse arbeidsmarkt eindelijk zijn uitgewist? Dat is veel te optimistisch. De wens vertroebelt op de bekende manier de gedachten. Het is wrang dat juist Arbeidsvoorziening deze conclusie trekt. De gegevens in de krant flatteren het beeld van de jeugdwerkloosheid. Bovendien is het maar de halve waarheid. Omvang en kwaliteit van de jeugdwerkgelegenheid blijven wel degelijk redenen tot zorg.

Wat is er mis met de werkloosheidscijfers? Het afgelopen jaar is meermalen gesproken over de verschillende indicatoren van de werkloosheid, alle afkomstig van het CBS. Ze geven een sterk uiteenlopende indruk van de Nederlandse arbeidsmarktprestaties. Geconcludeerd moet worden dat de registratie bij het Arbeidsbureau de werkloosheid te rooskleurig voorstelt. Een groot aantal mensen zoekt wel een baan, maar schrijft zich niet als werkzoekende in. Juist onder jongeren is dit belangrijk. In 1997 stonden gemiddeld 54.000 personen onder de 25 jaar bij het arbeidsbureau geregistreerd. Volgens de Enquête Beroepsbevolking (EBB) waren echter 89.000 jongeren zonder baan actief op zoek naar werk. De geregistreerde werkloosheid van jongeren bedroeg 6,2 procent van de jeugdige beroepsbevolking, volgens de EBB ging het om 10,1 procent. Het eerste percentage is het laagste van de afgelopen tien jaar, het tweede niet. Het was lager in 1991 en 1992 maar toen trok niemand de conclusie dat het probleem was opgelost. Integendeel, het Jeugd Werk Garantieplan is pas vanaf die tijd op gang gekomen.

Het verschil doet zich ook niet toevallig voor. Het is permanent en, belangrijker nog, het wordt ook steeds groter. In 1993 steeg de EBB-werkloosheid zeventien procent boven de geregistreerde uit, nu twee-derde. Het wrange van de uitspraak van Arbeidsvoorziening is dat ze alleen maar op de geregistreerden let en de groeiende rest links laat liggen. Het zegt wèl iets over de marktgerichtheid van deze organisatie.

Bij ouderen liggen deze verhoudingen heel anders. Van de 'kopgroep' op de arbeidsmarkt, mannen tussen 25 en 50 jaar, stonden 169.000 ingeschreven, maar waren slechts 142.000 actief op zoek (gegevens 1996). Het verschil lijkt misschien klein maar voor de inschatting van de ernst van de jeugdwerkloosheid maakt het nogal wat uit. Beperken we ons tot de geregistreerden dan ligt de werkloosheid onder jeugdigen vijftig procent hoger dan onder de genoemde groep. Gaan we daarentegen uit van degenen die actief werk zoeken, dan bedraagt het verschil maar liefst honderdvijftig procent. Jongeren worden dus ruim tweeeneenhalf maal zo sterk door werkloosheid getroffen als de kopgroep. Die verhouding was in de jaren tachtig niet wezenlijk anders. Ook dat werpt een heel ander licht op de huidige situatie. De werkloosheid is in 1997 wel gedaald maar zien we het, in de euforie over het polder-model, niet al te gemakkelijk door een roze bril?

Zeker - als de jeugdwerkgelegenheid in de beschouwing betrokken wordt. Toegegeven, het aantal werkloze jongeren daalt. Tien jaar geleden waren het 143.000, in 1997 nog 89.000. Maar, anders dan misschien gedacht wordt, is dat niet het gevolg van groei van de jeugdwerkgelegenheid. Integendeel, die kromp juist continu, van meer dan een miljoen in 1988 tot 770.000 in 1996, met een opleving tot 789.000 in het afgelopen jaar. Wat is er dan aan de hand? Nederland heeft vooral geprofiteerd van een sterke daling van de jeugdige bevolking en een stijging van de onderwijsdeelname. Het aantal jongeren van nu ligt dertig procent onder het niveau van 1988. Het is een daling zonder precedent in de na-oorlogse geschiedenis, en ze is ook tamelijk bijzonder binnen de Europese Unie. Het veelgeplaagde Frankrijk bijvoorbeeld, was minder gelukkig. Engeland, waar het ook zo goed lijkt te gaan, komt met een daling van ruim twintig procent dichter in de buurt.

Tegelijk steeg in ons land het aandeel van studenten en scholieren onder de jongeren van 45 naar 54 procent. De participatie op de arbeidsmarkt ging omlaag van 48 naar 46 procent. Die daling is niet navenant omdat een heel groot deel werk en onderwijs combineert. In 1996 beschouwde nog slechts een-derde van de jongeren betaald werk als zijn voornaamste activiteit. Beleidsmakers op de arbeidsmarkt zouden de studiefinanciering moeten koesteren, want het verlost hen van een groot probleem. Het onderwijs is een groot reservoir van potentieel arbeidsaanbod dat dreigt leeg te lopen als het beter gaat op de arbeidsmarkt en de rat-race om een diploma wat minder zou worden.

De overlap tussen onderwijs en arbeidsmarkt is nog een reden waarom zorg over de jeugdarbeidsmarkt geboden blijft: de bedroevende kwaliteit van de jeugdwerkgelegenheid. In de afgelopen paar jaar is het flexibel en part-time werk enorm toegenomen. Het full-time werken nam nog veel sterker af dan de jeugdwerkgelegenheid in het algemeen. Meer dan een kwart van de jeugdwerkgelegenheid is nu 'flexibel', tegen zeventien procent in 1992. Het gaat vooral om uitzendwerk, maar ook om losse contracten en losse uren. Part-time werk nam weliswaar toe, van minder dan een kwart tot meer dan een derde, maar is ook aanzienlijk. Het verlaagt de effectieve arbeidsparticipatie van jongeren naar 37 procent. Van de ouderen werkt slechts 4,2 procent flexibel (3,4 in 1992), en 28 procent part-time (1992: 25). Het betekent tegelijkertijd dat de concentratie van jongeren in laagbetaald werk toeneemt en hun gemiddelde loon daalt. Geen ander land betaalt jongeren zulke lage lonen en liet zo'n sterke loondaling toe.

Op de jeugdarbeidsmarkt is dus zeker geen sprake van het Dutch miracle, eerder van zinsbegoocheling. De consensus, die het hart van het poldermodel vormt, maakt het verleidelijk te denken dat het in alle hoeken van de Nederlandse arbeidsmarkt goed gaat. Natuurlijk, de afgelopen tien jaar is er flink wat werkgelegenheid bijgekomen. Dat geldt óók als we het part-time werken in aanmerking nemen en over het arbeidsvolume praten. Met de zogeheten kopgroep gaat het heel goed. De vele aandacht voor de feminisering van de arbeidsmarkt moet ons vooral niet op het verkeerde been zetten. De kopgroep is in het afgelopen decennium eerder mínder part-time gaan werken dan meer, en lijkt haar aandeel in het arbeidsvolume goed te handhaven. Het zijn de anderen die de rest proberen te verdelen, en wel steeds meer met behulp van part-time banen.

Full-time werk neemt onder oudere vrouwen maar mondjesmaat toe, hun werkloosheid is net als onder jongeren twee tot drie maal zo hoog als in de kopgroep. Over allochtonen zouden we het maar helemaal niet moeten hebben. Volgens de veel geciteerde OECD Jobs study is immigratie in Nederland trendmatig niet groter dan elders, maar nergens is hun werkloosheid zo hoog. Zweden, 'het andere land van de consensus', komt nog het dichtst in de buurt. Dat zou te denken moeten geven.

Arbeidsvoorziening zou dus beter op moet letten. Jongeren die het niet tot hun 24ste in de collegebanken kunnen of willen uithouden, dient ook een beter perspectief op economische zelfstandigheid geboden te worden. Daartoe moeten de sociale partners de consequenties van hun flexibiliseringsstreven onder ogen zien, ze treffen jongeren buitensporig. Voorstellen om de minimumjeugdlonen te verbeteren verdienen alle steun. Part-time werk tegen een jeugdloon dat gemiddeld 35 procent minder waard is dan twintig jaar geleden, vormt voor velen geen reële start van een arbeidzaam leven.