Hampson, Upshaw: het superzangpaar

Concert: Carte Blanche voor Thomas Hampson (bariton), m.m.v. Dawn Upshaw (sopraan), Nieuw Sinfonietta Amsterdam o.l.v. Reinbert de Leeuw. Radio: 16/5 14 uur Radio 4. Volgende concerten: 11, 17, 19/2, 8/4, 3/5.

In alle opzichten superieur, dat is de Amerikaanse bariton Thomas Hampson, de samensteller van de Carte Blanche-serie in het Amsterdamse Concertgebouw. Na Wagners Siegfried Idyll daalde Hampson als Superman de rode trappen af, om Mahlers Fünf frühe Lieder in de orkestratie van Berio te zingen. Hampson en Mahler vormen, zo bleek in 1995 al tijdens het Mahler Feest, een onweerstaanbare combinatie. De door Berio georkestreerde liederen uit Des Knaben Wunderhorn en de Lieder und Gesänge aus der Jugendzeit prikkelden Hampson tot de inzet van zijn verpletterende arsenaal aan vocale en theatrale kwaliteiten.

Met de helderheid van een tenor en de diepte van een bas resoneert zijn bariton in alle registers even warm, spontaan en soepel. Hampsons dictie is volmaakt, en zijn inlevingsvermogen in de tekst is indrukwekkend. Door merg en been ging zijn vaarwel aan de gestorven geliefde, het 'Ade, mein herzallerliebster Schatz!' in Nicht Wiedersehn!. Humor, melancholie, introspectie, passie, alles werd door de vitale Hampson benut om Mahler in het hier en nu tot leven te wekken.

Haast nog mooier klonk de vrij zwevende sopraan van Dawn Upshaw in liederen van Duparc, als een ideale versmelting van zuivere poëzie en kristallijne stemkwaliteit, die Hampson afwisselde met twee robuust vertolkte liederen van Wolf. Nieuw Sinfonietta Amsterdam en Reinbert de Leeuw leverden alerte en suggestieve begeleidingen.

In het voor Hampson en Upshaw door Ron Ford gecomponeerde Londonsong, kreeg ook het orkest een actieve en dramatische rol. Met slagwerkachtige signalen, korte crescendo's boven lang aangehouden tonen, syncopische ritmes, melodische schaduwen van de zanglijn, en soms alleen maar verticale brokken klankkleur, levert het orkest een onderstroom van betekenissen, als een derde stem onder de gevarieerde vocale invalshoeken van beide solisten. Ford benutte de lyrische kwaliteiten van Dawn Upshaw optimaal, terwijl Hampson vooral werd veroordeeld tot lage en monotone registers. Na de als openspringende bloesemknoppen door Upshaw vertolkte natuurlyriek van Copland, schitterde Hampson alsnog in de samen met Upshaw vertolkte Five Songs van Ives in een orkestbewerking van John Adams. Tot besluit veranderde Hampson tijdens twee komische toegiften in de ultieme musical-ster.