Gewone mensen

De PvdA, zo meldt het ochtendblad van vrijdag, heeft voor haar verkiezingscampagne posters laten maken met foto's van de hand van Anton Corbijn. Het onderwerp is - hier zult u van opkijken - 'gewone mensen'. Er staan wat foto's bij: een bejaard echtpaar, een jonge man, een allochtone vrouw, allen kijken zij blij in de camera met een enkel sociaal-democratisch attribuut zoals een hijskraan op de achtergrond. Vertegenwoordigers van - ja van wat eigenlijk? Van 'wij'. Van de Hollandse wij-gedachte die sinds jaar en dag een geijkt middel is om vertedering en loyaliteit op te roepen, en daarmee iets te verkopen.

Die portretten doen denken aan het titelfilmpje van de IKON (meen ik), vroeger op de tv. Deze neo-christenen presenteerden zich met een snelle opeenvolging van portretten, die zich voegde tot een portrettenmozaïek. Ook weer 'gewone mensen', vriendelijk lachend. Met de onderliggende boodschap dat mensen allemaal verschillend zijn, en toch allemaal gewone mensen met hun lief en hun leed, hun verjaardagen, hun buren... enfin, mensen zoals u en ik.

Mensen zoals u? Zoals ik in elk geval niet; ik werd telkens kregel van de demagogie die mij wilde betrekken bij iets waar ik niet bij wilde horen - juist vanwege dat retorische 'wij'. Wij in ons kikkerlandje, wij met onze Elfstedentocht, onze rookworst. Een paar jaar later kwam er, uit weer een andere bron, een lied bij over 'vijftien miljoen mensen'. Die o, zo koddig als beesten tekeergaan wanneer iemand uit hun naam een sportwedstrijd heeft gewonnen. Allemaal bij de Tros, de Postbank, de Telegraaf. Allemaal reuze vriendelijk (alleen soms, dan kunnen wij ons gewoon niet inhouden, hè?).

Wat hierbij hoort is de neiging om 'wij' te zeggen als het gaat over dingen waar de spreker evident geen deel aan heeft, of wil hebben. Wij hebben eigenlijk een rotmentaliteit, verklaart een opinieleider dan. Als hij zichzelf zo ruimhartig mee-beschuldigt, denkt hij, dan mag hij ook wel zeggen dat ik niet deug. Maar dat mag hij helemaal niet. Laat hij voor zichzelf spreken, de lafaard, of anders precies zeggen wie hij bedoelt.

Het ge-wij en ge-ons maakt deel uit van wat Herman Pleij dezer dagen ergens democratisme noemde, de neiging om het gewone te idealiseren en het uitstekende on-Hollands te noemen. Collectief sentiment dat niet plechtig wil zijn, maar gezellig.

Maar nieuw is het niet. Van wanneer is Alleman van Bert Haanstra? Van drie- of vierenzestig. Die film bevat al het hele deprimerende arsenaal aan ironische zelfvertedering. Mensenlevens, gereduceerd tot illustraties van een verpletterend saai verhaal. Mannetjes en vrouwtjes die allemaal o, zo hard hun best doen om hun deel te bemachtigen van de grote pijp kaneel. Voorbeelden van de soort 'mens', ondersoort 'Nederlander'. Ochot, kijk ze eens.

Let wel: de kijker moet zich hiermee identificeren, terwijl de filmer/fotograaf dat niet doet. Die is God, met een camera voor zijn hersens, waaraan deze panoramische kijk op het leven is ontsproten.

Haanstra, zo zou je tot zijn verdediging kunnen aanvoeren, hoorde nog bij de wederopbouw. Voor het eerst sinds de crisis ging het met alle Nederlanders, maar vooral de kleine man, steeds beter. Het was de pionierstijd van de welvaartsstaat. Ik weet eigenlijk niet goed waarom dat een visie zou excuseren die in diepste wezen hautain is, maar goed, ik was een kind. Ik mis misschien het juiste begrip voor de geest van die tijd. Een beter excuus zou nog kunnen zijn dat Haanstra's films goed gemaakt zijn; dat zijn ze geloof ik wel, ondanks de kleinerende toon en het ontbreken van ieder echt gevoel.

Maar de moderne demagogen die foto's van betaalde figuranten naast elkaar zetten op een toon alsof zij iets diepzinnigs of gevoelvols te zeggen hebben, terwijl zij niet verder komen dan de afgezaagde boodschap dat het om mensen gaat - die verdienen geen verontschuldigingen.

En het sterft ook nog lang niet uit, het cliché dat 'het om mensen gaat', uitgedrukt in portretten van zo veel mogelijk schijnbaar willekeurige mensen (met heel zorgvuldig gedoseerde aandacht voor zieligerds zoals bejaarden, vrouwen, allochtonen en homo's). Nee, het is juist bezig de geliefdste van alle reclameboodschappen te worden, het ultieme bewijs van goede bedoelingen. Want wie iets te verkopen heeft in 1998 - verzekeringen, worst of partijpolitiek - die beperkt zich niet graag tot een segment van de markt. Die neemt, zoals Coca Cola al jaren doet, in één grote greep de mensheid tot doelgroep. (O zeker, er zit tegenwoordig heel wat geld bij bejaarden, vrouwen, allochtonen, homo's.) Het commercieel belang sluit voorbeeldig aan op een politiek correct cliché.

Niet dat de verplatting van een cliché meteen betekent dat een kunstenaar er niet iets bijzonders mee kan doen. Er is prachtige literatuur met een Onze-Lieve-Heersblik op het menselijk gewoel. Er is zelfs eens een imposante fototentoonstelling gemaakt op basis van het cliché van 'allemaal gewone mensen': The Family of Man. In 1956 trok die het recordaantal van 118.000 bezoekers naar het Stedelijk Museum; Bert Haanstra was er vast bij.

Nu is zoiets niet meer mogelijk, zou je denken. Maar deze week drukt Vrij Nederland een portrettencollage van twaalf oude vrouwen in regenjassen af. Het is één van een reeks collages (de andere zijn iets minder frappant). Die 'oma's' zijn fantastisch. Ze zijn geportretteerd door de jonge fotografen Ellie Uyttenbroek en Ari Versluis, en hangen op het ogenblik in de Kunsthal in Rotterdam. Als een aandoenlijk, cru maar tegelijk ontroerend beeld van gewone mensen, 'wij' en 'zij' tegelijk.