De dwaas Parsifal voert gekken aan

Voorstelling: Parsifal van R. Wagner door de Nationale Reisopera en het Gelders Orkest o.l.v. Lawrence Renes. Gezien: 6/2 Stadsschouwburg Utrecht. Herh.: 10/2 Utrecht; 13, 15/2 Rotterdam; 17/2 Eindhoven; 20/2 Arnhem; 22/2 Enschede; 25/2 Den Haag; 27/2 en 1/3 Stadsschouwburg Amsterdam.

Natuurlijk kan het eigenlijk niet: Parsifal - een van de langste en lastigste opera's - door een reisgezelschap dat langs zeven theaters trekt met een voorstelling die wordt begeleid door een provincie-orkest, geleid door een jonge dirigent die debuteert in Wagner, gezongen door zangers die hun rollen veelal ook voor het eerst vertolken en bovendien in een enscenering die het Wagneriaanse gedachtegoed radicaal verwerpt.

Toch kan het, zo blijkt bij de Nationale Reisopera, en deze Parsifal is - los van de uitdagende regie - zelfs als geheel meer dan zes uur lang ook nog een heel redelijke voorstelling, die er vaak fraai uitziet. Lawrence Renes (27) leidt het Gelders Orkest, waarvan hij in september chef-dirigent wordt, en hij doet dat goed. Zelfs de krachtproef in de eerste drie minuten werd tijdens de première doorstaan. De strijkers lieten de uiterst kwetsbare lange lijnen - op één miniem rafeltje na - glad weerklinken.

Voor het overige verliep ook vrijwel alles zeer acceptabel tot goed, zij het dat Renes, die de zaak technisch goed in de hand heeft, hier heel verstandig de relatief gemakkelijke weg koos om Parsifal te realiseren met een warm en vibratorijk romantisch symfonisch klankbeeld. Van de aan Lohengrin (over Parsifals zoon) ontleende bovenaardse zilveren en strakke hoge strijkersbewegingen - zo moeilijk te spelen - was hier weinig te horen. Niettemin heeft de benadering van Renes zijn eigen voordelen, zoals een opmerkelijk gevarieerde en onderhoudende begeleiding. Deze aardse muzikale realisatie past bij het uitgangspunt van de voorstelling, die in de regie van Henning Brockhaus Parsifal wil ontdoen van zijn christelijke, hemelse glans.

Ook de kleine vocale imperfecties van de bewonderenswaardige cast passen in Brockhaus' opvatting: het is allemaal mensenwerk, zingen in de badkamer en in dit geval zelfs gekkenwerk - Parsifal is Wagneriaanse waanzin. De titelrol is hier met de Amerikaan Richard Decker het sterkst bezet - een goede en geloofwaardige vertolking, net als de Klingsor van Jaco Huijpen. De Kundry van Marilyn Schmiege (de vervangster van de zieke Kerstin Witt) en de Gurnemanz van Zelotes Edmund Toliver waren van iets wisselender niveau, terwijl de uitstekende Harry Peeters als Amfortas nog iets expressiever had kunnen zijn.

Brockhaus lijkt Parsifal te situeren in de badruimte van een vervallen krankzinnigengesticht. Dat kan passend zijn bij deze Goede Vrijdag-opera over de ridders die de hoeders zijn van de Graal - de schaal waarin Jezus' bloed werd opgevangen. Parsifal gaat over de geperverteerde navolging van Christus en het lijden aan de stigmata - Jezus' kruiswonden. Titurel ligt op sterven en zijn zoon Amfortas lijdt aan een ongeneeslijke wond, hem door Klingsor toegebracht met de speer waarmee Jezus aan het kruis werd getroffen.

Wagners graalridders verworden in dit theatrale dolhuis (een replica van het uitgebrande Venetiaanse operahuis La Fenice) tot lijders aan waanvoorstellingen, wat associaties oproept met het verblijf van De Sade in Charenton en het toneelstuk Hades van Lars Norén. Gurnemanz is als het equivalent van Jack Nicholson in de film One flew over the cuckoo's nest nog het minst ver heen. Geestig is het als hij minachtend neerkijkt op Parsifal: de 'reine dwaas' begrijpt natuurlijk niets van de ware gekken.

Die eerste acte, waarin de seconden soms uren lijken te duren, is vanwege de uitzichtloosheid van het lijden vaak echt roerend, zoiets als het dansstuk Café Müller van Pina Bausch. Prachtig is de geabstraheerde uitbeelding van het tonen van de Graal: er zakt een zwarte spiegel naar beneden, waarin we het orkest zien terwijl we de Graalsmuziek horen.

Ook de tweede acte is doortrokken van psychologie en psychiatrie. Parsifal, die de heilige speer gaat heroveren, komt terecht bij de duivelse Klingsor. Zijn tovertuin met verleidelijke bloemenmeisjes is hier een tippelzone anno 1900. Kundry, aangekomen per wit paard, doet zich voor als Parsifals moeder en verleidt hem bijna - net op tijd komt Parsifals innerlijk in verzet tegen de dreigende oedipale seks.

In de derde acte zijn we terug in het gesticht, waar Parsifal Amfortas geneest met de speer. De gekken blijken oorlogsgewonden, trekken hun soldatenplunje weer aan en formeren zich op de plaats marcherend achter de dwaas Parsifal en zijn heil brengende wapen. De verwacht Hitlergroet 'Sieg heil!' bleef uit.

Niettemin kon ik er niets anders in zien dan het tonen van een voorafschaduwing van het nazisme, waarbij Wagner de bron is van alle antisemitisch en fascistisch kwaad en via het verschijnsel 'Bayreuth' rechtstreeks verantwoordelijk is voor de Tweede Wereldoorlog. Het is een opvatting die de laatste jaren wordt uitgedragen door Wagners achterkleinzoon Gottfried Wagner. Diens argumentatie rammelt echter aan alle kanten, zo ziet hij Liszt - een andere voorvader - wel als lichtend voorbeeld. Liszt, die priester werd, was echter de grootste bewonderaar van zijn schoonzoon Wagner.

De wereld is al sinds Nietzsche voor de helft gevuld met Wagnerbestrijders, dus Brockhaus beweert hier niets nieuws. Waarom Wagner bestreden met Wagner? Brockhaus heeft niet het kaliber van Harry Kupfer en de zaal, een afvaardiging van de Wagnerliefhebbers, liet zich niet provoceren.