Verhoor

“Morgen om 9.00 uur word je gelicht. Zorg dat je klaar staat”.

Wat nu weer? Opnieuw een verhoor. En waarom? Ik ben toch al afgestraft. Nieuwe feiten. welke dan? Wanneer houdt het eens op?

Om 8.45 uur word ik door twee stillen opgehaald. Het zijn bekende gezichten; ze hebben me al eerder verhoord. Maar toch heb ik ze nooit gezien, sterker, ik zie ze nog geeneens staan: smerissen groet je niet, een oude bajeswet.

Gehandboeid word ik op de achterbank gezet. “Ik zeg niets, geen woord, zwijgrecht. Wat mij betreft gaan we direct terug, kunnen jullie achter de echte boeven aan, op de beurs bijvoorbeeld”, sneer ik als we de bajes uitrijden.

Ze reageren niet. De hele weg wordt er geen woord gezegd. De bijrijder leest de krant en ik kijk. De benzineprijs is ƒ 0,30 omhoog, zolang ben ik al weg. Alles lijkt nieuw na een half jaar grauw, vooral de kleuren, ze snijden door me heen, en ik kan er geen genoeg van krijgen.

Bij een stoplicht staart een vrachtwagenchauffeur me aan. Bij wijze van groet steek ik mijn geboeide handen omhoog. Geschrokken wendt hij zijn hoofd af. Als hij begint op te trekken, werpt hij een laatste snelle blik. Ik groet opnieuw, maar nog steeds kan er niks af, nog geen knikje.

Op bureau Warmoesstraat word ik direct naar de kelders gevoerd. “We halen je wel op”. Met een klap valt de deur dicht.

“Ophangen die Patijn, en Sorgdrager aan zijn poten erbij, blanke kankerlijers”, schreeuwt een rijksgenoot een paar cellen verderop. “En Nordholt en al die andere smeris-teringhoeren ook... leve Bouterse”.

Ik weet niet hoelang moordt hij erop los, geen smeris blijft er over. En ook ik sterf honderden doden: “Ik stamp je helemaal plat, witte teringhond”. “Ik neuk je gaar en je hele familie erbij, kanker-verraaier.” “O wee, als ik je buiten tegenkom, blank tyfuswolf”, gevolgd door langgerekte wurgkreten.

“Mee”. Er staat een smeris in de deuropening. Ik word naar boven gevoerd. De twee van vanmorgen zitten al te wachten. De een grijs, leesbril op het puntje van de neus, zit achter zijn computer, de ander, klein en kaal, staat ernaast.

“Koffie?”, vraagt de kale. De toon is gezet, rolverdeling bekend; de kale speelt 'softie', de grijze 'tough”.

“Nee”, zeg ik tegen de koffie.

Geroutineerd draaien ze hun repertoire af. Alle trucs worden van stal gehaald: “We zitten in hetzelfde schuitje... je kunt beter maar schoon schip maken... echt geen koffie... thee misschien... wat heeft het nou voor zin om te blijven zwijgen... denk toch aan jezelf... de waarheid achterhalen we toch wel”, zevert de kale.

“We weten veel meer dan je denkt... als je niet praat, laten we je morgen weer komen en ik weet niet hoe vaak... als je niet meewerkt, dan maak je het alleen maar erger... nu kun je er nog goed vanaf komen”, dreigt de grijze. Maar ik zing niet, ik zeg geen woord, en kijk alleen maar naar buiten. Urenlang.

Opeens, als op bevel, staan ze op, lopen naar de hoek en beginnen te fluisteren. Na een paar minuten zijn ze weer terug. De rollen zijn nu omgedraaid: hard is soft, soft is hard. Voor de rest is er niks veranderd. Opnieuw wordt het hele repertoire afgedraaid. Tot vervelens toe.

Buiten wordt het langzaam donker, de lichtjes floepen aan, een café begint te blèren en vanachter een gordijn doemt een vrouw op - ze lijkt lichtjaren weg.

Maar opeens is er ook iets nieuws. “Of ik foto's wil bekijken?”

“Ik kan niet tegen foto's, daar ben ik allergisch voor”, bits ik.

Maar tevergeefs. Er wordt een boek op tafel gelegd. Tientallen overbelichte, ongeschoren gezichten staren me aan, de meeste gekleurd, een paar wit, en op hun borst dragen ze allemaal een nummer.

“Ik zeg toch dat ik er niet tegen kan of willen jullie een medische verklaring”. Met een klap gooi ik het boek dicht.

“Zo is het genoeg”. De harde slaat met zijn vuist op tafel.

“Tough guys never give up”, sneer ik. Getergd kijkt hij me aan. Net als Elliot Ness. Ik word opnieuw geboeid en naar de auto een stukje verderop in de Warmoesstraat gevoerd. Sommige passanten staren me nieuwsgierig aan, andere slaan hun ogen neer en een ouder echtpaar, voor wie mijn geboeide verschijning kennelijk te veel is, blijft pardoes midden op straat staan.

“Van mijn part geven ze je levenslang”, sist een fietser als ik op de achterbank word geduwd. Zwijgend rijden we terug. Het verhoor is mislukt.