Stugge en 'vrolijke' orthodoxe christenen

Wat lang onmogelijk leek, staat morgen te gebeuren. Twee orthodox-christelijke partijen, het GPV en de RPF, gaan samenwerken, en mogelijk fuseren.

DEN HAAG, 7 FEBR. De Burcht in Barneveld is een gereformeerd 'vrijgemaakte' kerk en als zodanig een vesting van orthodox protestantisme in de Nederlandse bible belt. Zelfs onder de bijbelvaste protestanten gelden de 'vrijgemaakten' als allesbehalve vrijzinnig. Het is de kerk van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV).

Toch hebben ook leden van de Reformatorisch Politieke Federatie (RPF), een bonte verzameling van meer blijmoedige bijbelgetrouwe christenen, onderdak gevonden in De Burcht. De directeur van het wetenschappelijk bureau van de RPF is zelfs al eens genoemd als ouderling. “Daar is geen enkele commotie over geweest. De kerk is de laatste jaren opener geworden en de aanhangers zoeken de eenheid”, zegt predikant H. Messelink. “Het samengaan van het GPV en de RPF wordt in mijn kerk beleefd als een onomkeerbare situatie.”

De Tweede-Kamerfracties van het GPV en de RPF presenteren morgen in Ede een manifest, waarin wordt aangegeven hoe de orthodox-christelijke partijen na de Tweede-Kamerverkiezingen zullen samenwerken en mogelijk fuseren.

“Hierop heb ik al jaren gewacht. Ik hoop dat de partijen de moed hebben om volledig te integreren en bij de volgende verkiezingen met een gezamenlijke lijst te komen”, zegt directeur A. Knevel van de Evangelische Omroep (EO).

In de Tweede Kamer werken de RPF (3 zetels) en het GPV (2 zetels) al veel samen, net als met de SGP (2 zetels), de derde protestantse splinterpartij. Een voorstel van de RPF om de komende verkiezingen in mei al met een gezamenlijke lijst in te gaan, sneuvelde vorig jaar echter op weerstand bij de meer conservatieve geledingen binnen het GPV. Volgens heftig ontkende geruchten zou ook een incompatibilité d'humeur tussen de degelijke G. Schutte (GPV) en de wat vlottere L. van Dijke (RPF) een rol hebben gespeeld, maar de beide fractievoorzitters zullen morgen vooral de indruk van eensgezindheid willen wekken.

EO-directeur Knevel: “Bij de 'vrijgemaakten', de achterban van het GPV, is er nu sprake van een omslag. In hun isolement hebben zij lang gedacht: 'Wij zijn het'. Nu beginnen zij te wennen aan de gedachte verenigd te worden met 'Jan Rap en zijn maat' in christelijk Nederland. Dat gaat echt snel.”

Predikant Messelink bevestigt dat: “Het evangelische dat ook in de RPF zit, staat ver van ons af. Maar Amerikaanse en dus overwegend evangelische boeken worden 'gevreten'. Daarin ligt een sterke nadruk op de 'beleving' van het geloof, op een persoonlijke verdieping die ook ons aanspreekt.”

Een bundeling van de christelijke partijen is al langer onderwerp van gesprek. De eerbiediging van de zondagsrust en de afwijzing van abortus en euthanasie zijn van oudsher gemeenschappelijke thema's en onder het 'paarse' in hun ogen neo-liberale kabinet zijn daar de grenzen aan de groei en het verzet tegen de 24-uurseconomie bijgekomen.

De laatste jaren zijn de partijen ook in het defensief gedrongen en daardoor in elkaars armen gedreven. De Wet gelijke behandeling bijvoorbeeld maakt het de christelijke scholen moeilijker om ongewenste sollicitanten af te wijzen en dat heeft de partijen gealarmeerd.

“De consequenties van die wet blijken in de praktijk tot dusver wel mee te vallen. Echt heikele kwesties zijn er nu niet”, meent hoofdredacteur C. Janse van het Reformatorisch Dagblad: “Wat wel zwaar weegt is dat het CDA niet meer in de regering zit. Indertijd konden de partijen als er een kwestie was, trachten het CDA te mobiliseren en dat ging op zijn beurt in de coalitie aan het werk. Nu dat niet meer kan, is een sterkere positie van de kleine partijen urgenter.”

Hier en daar wordt al hardop gedroomd van tien zetels voor RPF/GPV, maar Knevel ziet zeven zetels als een realistischer aantal. Een aanschuiven van de SGP is voorlopig uitgesloten, omdat deze theocratische partij geen vrouwen in het politieke ambt wil. Hoofdredacteur Janse voegt eraan toe: “De SGP heeft meer dan het GPV een traditie van samenwerking, maar heeft de eigen identiteit altijd beklemtoond.”

Voor Janse is een samengaan van GPV en RPF een uitgelezen kans een “historische fout recht te zetten”. Toen ARP, CHU en KVP in de jaren zeventig fuseerden in het CDA, haakten groepen behoudende gereformeerden af. “Deze verontrusten uit AR-kring konden geen onderdak vinden bij het GPV, dat toen uitsluitend openstond voor 'vrijgemaakten'. Uit deze nood is de RPF ontstaan. Een fusie kan deze ongelukkige situatie beëindigen”, vindt Janse.

De geslotenheid van het GPV is nauw verbonden met de geschiedenis van deze partij, die in april vijftig jaar bestaat. Na een geschil over de doop braken in 1944 enkele theologen met de gereformeerde kerken (de 'vrijmaking'). “Het was een theologische scheiding, die uiteindelijk politiek werd. De vrijgemaakten vonden dat het niet mogelijk was om zondags te worden uitgesloten van het avondmaal en maandag weer gezamenlijk te vergaderen in de AR”, licht Janse toe. In 1948 werd het GPV opgericht, uitsluitend toegankelijk voor mensen die de 'vrijgemaakte' grondslagen van de partij onderschrijven. Die grondslagen zijn volgens waarnemers en betrokkenen nog altijd het grootste obstakel voor een fusie. De 'vrijgemaakten' en het GPV hanteren nog altijd de drie 'formulieren van enigheid': de belijdenis, de Heidelberger Catechismus en de Dordtsche leerregels uit 1618. Deze van oorsprong anti-remonstrantse regels zijn onaanvaardbaar voor de RPF, waarvan alle bijbelgetrouwe christenen lid kunnen worden onder vlag van wat de EO noemt de 'oecumene van het hart'.

Om de evangelischen (zoals Vergadering van Gelovigen) niet af te stoten houdt de RPF het op het “...gezaghebbende Woord van God zoals ook beleden wordt in de formulieren van enigheid”. Een dergelijke formulering biedt volgens W. Ouweneel, docent aan de Evangelische Hogeschool van Amersfoort, nu ook uitkomst: “In die formulieren staan veel typisch calvinistische dingen die niets met de politiek te maken hebben, zoals de volwassenendoop. Je zou kunnen zeggen: de formulieren zijn onze grondslag voorzover deze betrekking hebben op de politiek.”

Naast dit formele obstakel is er een culturele kloof tussen de wat stugge GPV'ers en de RPF-aanhangers, die Knevel betitelt als “vrolijk orthodox”. De strakke kerkdiensten van de 'vrijgemaakten' hebben een heel andere sfeer dan de bijeenkomsten van bijvoorbeeld evangelischen, waarvan sommige stromingen hechten aan het spreken in tongen. “Het GPV heeft zich altijd toegelegd op het parlementaire handwerk. Hun Kamerleden, zoals Jongeling vroeger en nu Schutte, hebben altijd een goede reputatie gehad. De RPF heeft een wat andere werkwijze en richt zich meer op de eigen achterban, voor het publiek”, zegt Janse.

Toch wordt een samengaan als onvermijdelijk gezien. “De EO heeft allesbehalve politieke bedoelingen, maar kan wel op zijn conto schrijven het klimaat te hebben geschapen waarin christenen elkaar vinden in gemeenschappelijke thema's. Dat is toch een breuk met de geschiedenis van het protestantisme waarin verschillen juist vaak zijn uitvergroot”, meent Knevel.

Janse ziet een parallel met het ontstaan van het CDA: “Daar werkten KVP, CHU en ARP eerst lokaal en toen provinciaal samen en dat ging zo goed dat uiteindelijk een landelijk samengaan min of meer werd afgedwongen.”