Onafhankelijkheid van rechters moet buiten kijf staan

Het openbaar ministerie en zijn minister buitelen over elkaar heen. Ondertussen voltrekt zich in de luwte een kleine revolutie in de onafhankelijkheidspositie van de rechter. Het gebuitel is schadelijk maar hopelijk incidenteel. Het valt in het niet bij de stille revolutie: die is minstens zo schadelijk en bovendien structureel.

Onafhankelijk en toch volgzaam, dat zijn twee wezenlijke eigenschappen van een goed rechter. Onafhankelijk van het overheidsbestuur en volgzaam ten aanzien van het recht. Indien het op 21 januari door de commissie-Leemhuis aan minister Sorgdrager gepresenteerde rapport 'Rechtspraak bij de tijd' gerealiseerd wordt, kalft de onafhankelijkheid af en rest volgzaamheid, schipperend tussen het recht en de belangen van het overheidsbestuur.

De commissie-Leemhuis stelt een hiërarchisch bestuur voor de rechtspraak voor. Onderaan de rechters, daarboven voor elke rechterlijke instantie een College van Bestuur (CvB) en aan de top een nieuw in te stellen Raad voor de Rechtspraak. De CvB's en Raad voor de Rechtspraak mogen de rechters niet voorschrijven hoe hun beslissingen moeten luiden, maar voor het overige hebben zij het voor het zeggen. Bijvoorbeeld: wie welke zaak beoordeelt en beslist, hoeveel zaken per rechter verwerkt moeten worden, hoe hij zijn vonnissen maakt (zelf of gedelegeerd aan een 'stafjurist'), of rechters alleen of met zijn drieën beslissen en of hij veel of weinig getuigen toelaat. Deze bevoegdheden berusten nu nog bij de individuele rechter respectievelijk bij de algemene vergadering van rechters bij elk gerecht.

Aantasting van de onafhankelijkheid ondermijnt de democratie. Geen democratie zonder evenwicht tussen de staatsmachten. De wetgever stelt de spelregels vast, het overheidsbestuur en de burger spelen het spel en de rechter controleert of zij zich aan de regels houden. Als één van de spelers de chef is van de rechter, dan is die rechterlijke controle niet onpartijdig en het spel niet meer eerlijk. Daarom moeten rechters los staan van de spelers en met name onafhankelijk zijn van het overheidsbestuur.

Omdat ook rechters mensen zijn, zijn waarborgen voor de onafhankelijkheid onontbeerlijk. Daarom wordt het salaris van de rechter bij wet vastgesteld en kan hij niet ontslagen worden wegens een vonnis dat het bestuur niet zint. Als de rechter minister Jorritsma verbiedt Schiphol uit te breiden of als hij een verdachte tot verbazing van minister Sorgdrager vrij laat, blijft hij op zijn post en mag hij, of beter moet hij doorgaan met zijn werk. De rechter kent maar één baas en dat is het recht. Ter verzekering van deze suprematie bestaat de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie: de enige hiërarchie die bij het rechterswerk past.

De onafhankelijkheidscultuur moet gekoesterd worden, in de eerste plaats door de rechter zelf. Onbevangen en scherp moet hij luisteren naar de standpunten van partijen. Hij moet de persoonlijke moed hebben steeds volgens het recht te beslissen, zelfs als dat fout valt bij het hele Nederlandse volk. Populariteit is voor de rechter doel noch middel. Hij luistert wel naar in de maatschappij levende opvattingen, maar slechts omdat die opvattingen - soms - het recht beïnvloeden.

Het krachtig centraliseren en hiërarchisch maken van het bestuur over de rechters, staat haaks op de rechterlijke onafhankelijkheid. Zeker, CvB en Raad voor de Rechtspraak mogen niets zeggen over de inhoud van het vonnis in een concrete zaak. Maar hun richtlijnen, aanwijzingen en dienstopdrachten zullen op dat vonnis wel van invloed zijn: het besturen van de rechter en het rechtspreken zijn niet van elkaar te scheiden.

Bovendien zullen rechters voor benoeming en promotie afhankelijk zijn van het CvB en de Raad voor de Rechtspraak. Het gevaar bestaat dat de rechterlijke aandacht zich zal richten op die aanwijzingen en richtlijnen en georiënteerd raakt op de nieuwe - misplaatste - hiërarchie. Dienstopdrachten zullen niet nodig zijn. De rechter die volgens de door hem afgelegde eed 'braaf' in de zin van 'dapper' moet zijn, wordt braaf in de gewone betekenis van het woord.

De Raad voor de Rechtspraak zal bestaan uit drie rechters en twee niet-rechters, benoemd bij Koninklijk Besluit op voordracht van de minister van Justitie. Honderd ambtenaren, nu nog werkzaam op dat ministerie, zullen de raad ondersteunen. De drie rechters zijn slechts rechter-in-naam. Zij zullen behoren tot de managersklasse, nauwelijks nog actief 'op de vloer'. Eenmaal in de raad worden zij full-time geabsorbeerd door het besturen van de rechtspraak. De niet-rechters zullen - terecht, daar zijn ze voor - vooral aandacht vragen voor niet specifiek rechterlijke aspecten. Getuigt het van te grote argwaan te vrezen dat dit krachtig bestuurlijk orgaan de antennes voor aantasting van de onafhankelijkheid zal missen en/of onderdrukken?

De commissie-Leemhuis presenteert haar plannen - zo zegt zij - met het oog op de komende vijftig jaar. De afgelopen vijftig jaar is de rechtsbescherming van de burger tegen de overheid mede door de rechtspraak sterk verbeterd. Het valt te betwijfelen of de rechter die prestatie ook onder het voorgestelde regiem zou hebben geleverd.