Mijn oom in de bouw

Mijn moeders broer was in 1946 negentien. Ome Kobus. Hij kreeg in '46 zijn eerste pak, zijn eerste lange broek. Dat komt: ín de oorlog probeerde je jonger te lijken dan je was en ná de oorlog moesten eerst de nodige textielpunten worden gespaard.

En toen moest hij in militaire dienst, en toen hij er uitkwam was dat pak hem te klein.

Ach, de oorlog, dat waren je jongensjaren.

Bovenaan de Laarweg, op het randje van Velp, hadden de Duitsers een betonnen versperring aangelegd. In '45 waren de geallieerden bezig die op te ruimen. Pneumatische hamers. Dat was wat nieuws, dus daar stonden ze als opgeschoten jongens bij te kijken. Toen moest er een legertruck langs. Ome Kobus sprong op de treeplank om om chocola te vragen. Hij keek de chauffeur recht in zijn gezicht en liet zich van schrik er ook meteen weer af vallen. Een neger!

Hij had De negerhut van Oom Tom gelezen, hij wist dat ze bestonden, maar gezien had hij zo iemand nog nooit.

Hij zat op de ambachtsschool op de Boulevard Heuvelink, vlakbij de Rijnbrug in Arnhem. Het timmermansdiploma had hij al gehaald, en om uitstel van de Arbeidsdienst te krijgen, was hij voor elektricien begonnen te leren. Maar na september '44 kon je Arnhem niet meer in.

Na de bevrijdingsdag bezorgde een kennis van Vader hem een baantje bij een aannemer. Er viel in Arnhem ongelooflijk veel te doen. Ergens aan de singels werden woonhuizen omgebouwd tot kantoor voor de provinciale griffie; van vloerplanken werden tafels getimmerd, bureaus voor de ambtenaren. Ergens op de Hoogkamp werden lichtbeschadigde huizen weer bewoonbaar gemaakt met deuren en dakpannen van zwaarbeschadigde. En een vrachtauto had die aannemer in die tijd nog niet eens. Met een handkar met steigerpalen en speciekuipen trokken ze eropuit.

Hij was nog zo'n broekje, hij zei 'u' tegen die mannen. Op zeker moment grepen ze hem bij zijn kraag, als je nou nog één keer u tegen ons zegt, krijg je een pak slaag.

Hij moest eten rondbrengen lands de verschillende bouwplaatsen. Afhalen bij een centrale keuken, en dan een route door de stad. Een fiets met massieve banden. Die werden gemaakt van autobanden of hogedrukslangen. Die van hem waren toevallig uit een drijfriem gesneden. Verslijten deden ze niet, en lek reed je ook nooit. Maar rammelen! Er knapten voortdurend spaken en op een keer, dat was in het najaar van '46 op zo'n steil weggetje bij Sonsbeek, brak zijn voorvork af bij het balhoofd. Toen hij bijkwam lag hij met een hersenschudding in het Gemeenteziekenhuis.

Goed, dat was de hele dag werken en vijf keer in de week naar de avondschool, van zeven tot negen. 'Bouwkundig tekenen', zegt hij. 'Dat ging me heel goed af, daar was ik graag in doorgegaan.'

Maar in datzelfde najaar van '46 was het voor alle Velpse jongens van zijn leeftijd verzamelen geblazen bij het politiebureau. Ze werden naar Doetinchem gebracht om gekeurd te worden en als 46/47 niet zo'n strenge winter was geweest ('de enige keer dat ik heen en weer over de Rijn ben gelopen'), had hij meteen moeten opkomen in de Boreelkazerne in Deventer. Die konden ze toen niet warmgestookt krijgen. Uitstel, maar geen afstel. Militaire dienst, einde opleiding, en daarmee lag zijn bestemming vast. Hij zou uiteindelijk naar Limburg vertrekken om in de mijn te gaan werken.

Ondertussen had hij zijn grote passie gevonden: motoren!

In de oorlog keek hij Vader op de vingers, toen die een oud motorfietsje zat op te knappen. De benzinetank werd onder het frame losgezaagd en er bovenop gezet, en dan zag zo'n dingetje er meteen een stuk moderner uit.

Twee dagen na de bevrijding, vertelt hij, verrichtte hij, lid van de padvinderij, al koeriersdiensten op een DKW-tje. 'Ik was nogal klein van stuk: ik moest mij toch een beetje waarmaken.'

Moeder had in Arnhem een neef, een Jo Carmiggelt, die schoonmaker was. Die kwam op zaterdagmiddag schoenen brengen en halen, op een Cyrus. 'Hij naar binnen, ik naar buiten, op die motor van hem.'

En toen, dat moet inderdaad in '46 zijn geweest, tikte Vader een Simplex op de kop. Zijn eerste eigen motor. 'Je kocht zoiets voor vijfendertig gulden. Je reed er een tijdje mee, je klungelde er wat aan en je deed hem voor vijfenzeventig gulden van de hand, dan kon je zelf weer iets beters kopen.'

Bij de garage van Scheur kon je 's zaterdags afgewerkte olie krijgen. Benzine kocht je van je zakgeld, een knaak in de week. En dan een rondje Posbank. Bij De Steeg naar boven en scheuren maar.

Van de Zijpenberg ging het in zuivere haarspeldbochten naar beneden. Daar stond het beroemde verkeersbord 'wielrijders afstappen'. Daar stonden een keer politie-agenten. Rustig, deden die met hun handen, rustig toch.

In verband met de heersende schaarste was gemotoriseerd verkeer op zondag verboden.

Dus de IJsselstraat, nummer 3. Mijn moeder en Jannie en ik woonden beneden. Opie, opa, Sjaantje en ome Kobus woonden boven.

Zijn kamer zag eruit als een rovershol, allemaal camouflagenetten. Hij sliep in een ledikant met een hakenkruis aan de binnenkant van de zijschotten. Dat had-ie weggehaald uit een villa waar de Duitsers een soort hoofdkwartier hadden gehad. Net als de grote houten tafel met een blad waarin het hakenkruis met adelaar was ingebrand. Oorlogsbuit.

Honderden meters telefoondraad. Toen in Velp de bevrijding zou worden gevierd, gebruikten ze zí kabels om langs de straten luidsprekers op te hangen.

In '49 moest al het oorlogsmateriaal worden ingeleverd. Er werd gebeld en er stond een man voor de deur. Heb jij nog spullen uit de oorlog? Ik heb nog wel wat, ja. Duits of Engels? Allebei. Mag ik even kijken? Kom maar binnen.

Een revolver met twee kilo patronen, een stel handgranaten, een stengun, een geweer en een museumachtige verzameling helmen en granaathulzen.

Die lui, zegt hij, kwamen dezelfde middag nog terug met een auto - die hebben met z'n drieën lopen sjouwen.

'In 1950 hebben we nog politie aan de deur gehad. Waar wij al dat koper vandaan hadden dat we verkochten. Toen was het oorlog in Korea, koper werd duur. Die dachten dat dat gejat was, maar het kwam allemaal uit radio's die we nog in de kelder hadden staan, radio's van de Duitsers.'