Marx wist meer van kapitalisme dan van communisme

De bankier op Wall Street weet het zeker: Karl Marx had gelijk. John Cassidy van The New Yorker sloeg het werk van Marx erop na. En inderdaad: hij had door hoe het kapitalisme in de Victoriaanse tijd werkte. Zo werkt het nog steeds.

Vorig jaar bracht ik in het begin van de zomer een weekeinde door in het buitenhuis van een studievriend, een zeer intelligente, nuchtere Engelsman, die na een loopbaan in de hogere regionen van het Britse overheidsapparaat en bij een financiële firma in de Londense City, is terechtgekomen bij een grote investeringsbank op Wall Street. Daar heeft hij de laatste jaren aandelenemissies georganiseerd en zijn firma geholpen de sterkste markt sinds mensenheugenis af te romen. We hadden het over de economie en vroegen ons af hoe lang de huidige financiële hausse zou aanhouden.

Tot mijn verrassing kwam hij aanzetten met Karl Marx. “Hoe langer ik op Wall Street zit”, zei hij, “hoe meer ik ervan overtuigd raak dat Marx gelijk had.” Ik dacht dat hij een grapje maakte. Maar hij vervolgde in alle ernst: “Er ligt een Nobelprijs klaar voor de econoom die Marx weer tot leven wekt. Ik ben er zeker van dat hij de beste kijk biedt op het kapitalisme.”

Wij hadden begin jaren tachtig samen economie gestudeerd in Oxford, waar het merendeel van onze docenten Keynes' oordeel onderschreef dat de economische theorieën van Marx 'ingewikkelde hocus-pocus' waren, en het communisme 'een belediging voor onze intelligentie'. De slimmere studenten van onze generatie waren merendeels van mening dat de ideeën van Marx typisch iets waren voor TH-colleges en Labour-politici in spe (van wie velen inmiddels rechtse aanhangers van Blair zijn geworden).

Sindsdien is Marx' reputatie er alleen maar verder op achteruit gegaan: het Instituut voor Marxisme-Leninisme in Moskou is opgeheven, het Chinese Rode Leger heeft zich toegelegd op goederenproductie en zelfs Fidel Castro probeert buitenlandse investeerders aan te trekken. Desalniettemin besloot ik dat als mijn gastheer, met zijn brede ervaring in de internationale financiële wereld, dacht dat Marx nog iets zinnigs te melden had, het misschien tijd werd om er zelf eens naar te kijken.

Ik schafte een forse bloemlezing uit Marx' werk aan, bezorgd door de Britse wetenschapper David McLellan. Alles zat erin, van een brief die Marx in 1837 naar huis schreef toen hij aan de Universiteit van Berlijn studeerde, tot correspondentie met zijn socialistische makkers uit de tijd dat hij als oude man aan Haverstock Hill in Londen woonde.

Al lezende kreeg ik geleidelijk aan in de gaten wat mijn vriend had bedoeld. Het erfgoed van Marx is in vele opzichten overschaduwd door de mislukking van het communisme - iets waar zijn belangstelling niet in de eerste plaats naar uitging; in feite had hij maar weinig te melden over hoe een socialistische samenleving zou moeten functioneren. En wat hij wél schreef - over het afsterven van de staat en dergelijke - was nauwelijks bruikbaar, zoals Lenin en zijn kameraden na hun machtsgreep al spoedig ontdekten.

Marx was een theoreticus van het kapitalisme en als zodanig moet hij worden beoordeeld. Vele van de tegenstellingen die hij in het Victoriaanse kapitalisme waarnam en waar later door reformistische regimes wat aan gedaan is, steken - als gemuteerde virussen - in nieuwe gedaanten weer de kop op. Marx heeft pakkend geschreven over mondialisering, ongelijkheid, corruptie in de politiek, monopolisering, technische vooruitgang, de aftakeling van de hogere cultuur, en het zenuwslopende karakter van het moderne bestaan - thema's waarmee de huidige economen zich opnieuw bezighouden, soms zonder te beseffen dat zij in Marx' voetsporen treden.

De kern van zijn opvattingen, die hij voor het eerst heeft neergelegd in De Duitse ideologie (1846), is niet lang geleden door James Carville opnieuw geïntroduceerd met de leuze 'It's the economy, stupid'. Deze theorie, die Marx zelf 'de materialistische opvatting van de geschiedenis' (het historisch materialisme) noemde, wordt thans in zo brede kring aanvaard dat deskundigen van alle politieke richtingen, zo ook Carville, haar gebruiken zonder te vermelden wie haar heeft bedacht. Wanneer conservatieven betogen dat de verzorgingsstaat ten dode opgeschreven is, omdat hij het vrije ondernemerschap knevelt, of dat de Sovjet-Unie is uiteengevallen omdat ze de efficiëntie van het Westerse kapitalisme niet kon evenaren, gaan zij uit van Marx' stelling dat de economie de drijvende kracht achter de ontwikkeling van de mensheid is.

In het Communistisch Manifest, dat in februari 1848 verscheen, staan een paar van Marx' scherpste uitspraken: 'Een spook waart rond in Europa - het spook van het communisme', 'De geschiedenis van heel de samenleving tot nog toe is de geschiedenis van klassenstrijd', en 'Wat de bourgeoisie vooral produceert, is haar eigen doodgravers'.

De in dat boek uitgesproken, onjuiste voorspelling dat de ondergang van het kapitalisme ophanden was, heeft ons het zicht ontnomen op een veel duurzamere intellectuele prestatie: Marx heeft in het manifest namelijk uiteengezet hoe het kapitalisme werkt. Anders dan vele van zijn navolgers heeft hij de macht van de vrije markt nimmer onderschat. 'De bourgeoisie heeft in haar klassenheerschappij van amper honderd jaar massalere en kolossalere productiekrachten gecreëerd dan alle voorgaande generaties bij elkaar', schreef hij.

Die ongekende productiestijging, ook wel de 'industriële revolutie' genoemd, bleef bovendien niet beperkt tot één land, want de niet aflatende behoefte aan nieuwe afzetgebieden 'jaagt de bourgeoisie de hele aardbol rond'. En waar de bourgeoisie maar komt, ondermijnt zij de traditionale werkwijzen. 'De oeroude nationale industrieën zijn verwoest en worden nog dagelijks verwoest', schreef hij. 'Ze worden verdrongen door nieuwe industrieën, waarvan de invoering voor alle beschaafde naties een kwestie van leven of dood wordt.'

En niet alleen het plaatselijke bedrijfsleven werd de dupe. Hele culturen werden door de meedogenloze krachten van de modernisering en de internationale integratie weggevaagd. 'De intellectuele voortbrengselen van afzonderlijke naties worden gemeengoed', constateerde hij. 'Nationale eenzijdigheid en bekrompenheid worden steeds onmogelijker, en uit de vele nationale en regionale literaturen ontstaat een wereldliteratuur.'

Globalization, 'mondialisering', is dé leuze van het fin de siècle van de twintigste eeuw, die iedereen, van Jiang Zemin tot Tony Blair, op de lippen ligt, maar de meeste vertakkingen van dat verschijnsel zijn al honderdvijftig jaar geleden door Marx voorspeld. Het kapitalisme is nu goed op weg om de wereldmarkt tot één geheel te maken, waarbij de Europese, de Aziatische en de Amerikaanse naties zich ontwikkelen tot drie concurrerende handelsblokken binnen die markt. Zo nu en dan trekt een of andere in het nauw gedreven groep - Franse boeren, Britse mijnwerkers, Amerikaanse werknemers in de automobielindustrie - nog eens ten strijde voor traditionele belangen, maar altijd tevergeefs. Niets kan de permanente revolutie van het kapitalisme tot staan brengen. 'Voortdurende verstoring van alle maatschappelijke omstandigheden, eeuwige onzekerheid en beweging onderscheiden het bourgeoistijdperk van alle overige tijdperken', schreef Marx.

De economen, van oudsher de grootste voorstanders van mondialisering, omdat zij menen dat deze meer winnaars dan verliezers zal opleveren, zijn niet zo heel zeker meer van de goede afloop. Ofschoon de huidige critici zich minder pittig plegen uit te drukken dan Marx, is hun boodschap dezelfde: 'De internationale integratie van markten voor goederen, diensten en kapitaal zet samenlevingen onder druk om hun traditionele werkwijzen te veranderen, en dat is iets waartegen brede segmenten van die samenlevingen in verzet komen', schreef econoom Dani Rodrik van Harvard in zijn vorig jaar verschenen, baanbrekende boek Has Globalization Gone Too Far? Rodrik wees erop dat kinderarbeid, belastingontwijking door ondernemingen en sluiting van Amerikaanse fabrieken evenzovele aspecten zijn van de mondialisering. Hij noemde Marx niet uitdrukkelijk - wie als econoom aan de betere universiteiten carrière wil maken, kan beter niet met Marx aankomen - maar concludeerde wel dat als wij de mondiale uitdaging niet aankunnen, 'maatschappelijke ontwrichting' het gevolg zou kunnen zijn.

Een belangrijke les van Marx was dat het kapitalisme geneigd is tot monopolievorming - een constatering die in zijn tijd bepaald niet voor de hand lag - zodat er behoefte is aan strenge regulering. Later leek het of de hervormingen van Teddy Roosevelt en F.D. Roosevelt met dat probleem hadden afgerekend, maar in het afgelopen decennium heeft zich een ongekende golf van fusies voorgedaan in de uiteenlopendste bedrijfstakken: amusement, geneesmiddelen, defensie en financiële instellingen. Tegelijkertijd hebben bezuinigingen bij de overheid en behoudende rechterlijke uitspraken de doelmatigheid van officiële reguleringsinstanties, zoals de Federal Trade Commission, ondermijnd. Zolang deze ontwikkelingen niet tot staan worden gebracht, zullen er onvermijdelijk meer fusies volgen, zullen de prijzen stijgen en zal de consument minder keus krijgen.

Marx' voornaamste wapenfeit als economisch theoreticus was dat hij bij het onderzoek naar de economische ontwikkeling de hoofdrollen reserveerde voor de ondernemer en het winstbejag. Voor de leek die het economiekatern leest, lijkt dat vanzelfsprekend, maar voor professionele economen ligt het anders. Voor de neoklassieke economen draait alles om de consument; bedrijven zijn slechts black boxes die ruwe grondstoffen en arbeid omzetten in artikelen die mensen willen kopen. In de wereld zoals deze theorie zich haar voorstelt, wordt het groeitempo van de economie bepaald door de toename van het aantal arbeidskrachten en de mate van technologische vooruitgang, die zomaar uit de lucht komt vallen, zonder dat de markt er vat op heeft.

Marx had een somberder en ingewikkelder beeld van de economische groei. In zijn model waren de kapitalisten in het nauw gedreven figuren, voortdurend onder druk gezet door concurrenten die proberen hun markten binnen te dringen en hun winst te stelen. Wegens die druk moesten firma's hun onkosten verlagen door te investeren in arbeidsbesparende machines, door hun werknemers te dwingen harder te werken en door nieuwe producten te ontwikkelen. Dit proces, door Marx 'accumulatie' genoemd, was de voornaamste oorzaak waardoor het kapitalisme zoveel productiever was dan vroegere maatschappijvormen. In de feodale tijd verbruikte de adel het economisch 'overschot' dat de boeren voortbrachten, maar in de geïndustrialiseerde samenleving waren de kapitalisten gedwongen het door hun employés geschapen overschot te investeren, omdat ze anders gevaar liepen door hun concurrenten te worden weggevaagd. 'Accumuleren! Accumuleren! Accumuleren! Dat is Mozes en de profeten', verklaarde Marx.

Deze kijk op de economische groei, die na Marx' dood in economische kringen grotendeels in vergetelheid was geraakt, is in de jaren veertig van onze eeuw weer tot leven gewekt door Joseph Schumpeter, een voormalige Oostenrijkse minister van Financiën die aan Harvard een academische carrière was begonnen. Hij doopte dit verschijnsel 'creatieve vernietiging'. De laatste jaren is in Schumpeters ideeën lijn gebracht door een groep vooraanstaande, wiskundig georiënteerde economen, onder wie Paul Romer van Stanford University en Philippe Aghion van de Universiteit van Londen. Alhoewel de op dit terrein - de zogeheten theorie van de endogene groei - werkzame economen doorgaans Marx ongenoemd laten als hun geestelijke voorloper, zijn hun modellen onmiskenbaar marxistisch van aard; hun voornaamste doelstelling is namelijk aan te tonen dat technische vooruitgang voortkomt uit het concurrentieproces, en dat ze dus niet uit de lucht komt vallen.

Marx' versie van het vrije ondernemerschap komt ook overeen met de opvattingen van vele moderne zakenlui, die voor geen goud als marxisten te boek zouden willen staan. Zo heeft in de jaren tachtig Jack ('Neutron Jack') Welch jr., de spijkerharde maar in hoog aanzien staande president-directeur van General Electric, zijn bedrijf een metamorfose doen ondergaan door tientallen vestigingen te sluiten en tienduizenden employés te ontslaan. Zijn beweegredenen zijn voor iedere Marx-kenner gesneden koek: “In vergelijking met de gebeurtenissen die op ons afstormen, zullen de ruwe, tumultueuze jaren tachtig lijken op een decennium aan het strand”, zei Welch in 1989 op een aandeelhoudersvergadering. “Op alle belangrijke markten staan ons darwiniaanse slachtingen te wachten, zonder troostprijzen voor de verliezende ondernemingen en naties.”

Op zijn begrafenis werd Marx door zijn vriend en co-auteur Friedrich Engels geprezen op een manier die hem wel zou zijn bevallen. Engels zei: 'Zoals Darwin de wet van de evolutie in de organische natuur heeft ontdekt, zo heeft Marx de wet van de evolutie in de geschiedenis van de mensheid ontdekt.' Helemaal waar was dat niet, maar helemaal onjuist evenmin. Het kapitalisme is zeker niet opgevolgd door het communisme, maar het is, even zo zeker, niet blijven bestaan in de Dickensiaanse vorm die Marx heeft gekend. In de eeuw na zijn dood hebben de overheden in de geïndustrialiseerde landen tal van hervormingen ingevoerd met het doel de levensstandaard van de arbeiders te verhogen: arbeidswetten, minimumloonwetgeving, sociale voorzieningen, sociale woningbouw, openbare gezondheidszorg, successierechten, progressieve inkomstenbelasting en ga zo maar door. In Marx' tijd zouden die verbeteringen als 'socialisme' zijn bestempeld; vele ervan heeft hij trouwens in het Manifest aanbevolen en het valt moeilijk in te zien hoe het kapitalisme zonder zulke voorzieningen had kunnen overleven.

Pas in de laatste twee decennia is in naam van de 'economische doelmatigheid' deze sociaal-democratie systematisch onder vuur genomen. Deze reactie van rechts heeft, precies zoals Marx zou hebben voorspeld, tot een scherpe toename van de ongelijkheid geleid. Tussen 1980 en 1996 is het aandeel van het totale gezinsinkomen dat naar de rijkste vijf procent van de gezinnen in de Verenigde Staten gaat, gestegen van 15,3 naar 20,3 procent, terwijl het aandeel van het inkomen dat naar de armste zestig procent gaat, is gedaald van 34,2 naar 30 procent. Deze veranderingen illustreren een ongekende herverdeling van middelen van arm naar rijk, want iedere verschuiving van één procent staat voor ongeveer 38 miljard dollar.

Marx meende dat er in iedere samenleving een fundamentele scheidslijn loopt tussen de mensen die de machines en de fabrieken bezitten waarmee goederen worden gemaakt (de 'bourgeoisie') en de mensen die niets anders te bieden hebben dan hun vermogen om te werken (de 'proletariërs'). Deze verdeling is te star, want ze houdt geen rekening met zelfstandigen, werknemers in de publieke sector en werknemers die aandelen bezitten in het bedrijf van hun werkgever. Maar het lijdt geen twijfel dat in de afgelopen twee decennia de mensen die de productiemiddelen beheersen, de grootste winnaars waren: de directeuren en de aandeelhouders. In 1978 verdiende een president-directeur van een groot bedrijf grofweg zestig maal zoveel als een arbeider; in 1995 was dat ongeveer honderdzeventig maal zoveel. Ook de aandeelhouders hebben geweldig goed geboerd. Volgens Edward Wolff, hoogleraar economie aan de Universiteit van New York, is de helft van alle financiële waarden in het land eigendom van één procent van de bevolking.

Deze cijfers vormen een indicatie dat een van Marx' meest omstreden denkbeelden, de theorie van de Verelendung, wel eens aan een comeback toe zou kunnen zijn. Marx meende niet, zoals sommige critici beweren, dat de lonen onder het kapitalisme nooit konden stijgen, maar hij heeft wel gezegd dat de winsten sneller zouden stijgen dan de lonen, zodat de arbeiders mettertijd relatief zouden verarmen ten opzichte van de kapitalisten - precies zoals de afgelopen twintig jaar is gebeurd.

Een essentiële vraag met betrekking tot de toekomst, waarvan het antwoord cruciaal is voor het lot van de pijlsnel stijgende beurskoersen en van nog veel meer, is of het kapitaal zijn winst van de laatste jaren zal kunnen consolideren. Marx twijfelde niet wie er aan het langste eind zou trekken: 'De achtenswaardige kapitalisten zullen nooit vergeefs uitzien naar nieuw vlees en bloed om te exploiteren en zij zullen de doden de doden laten begraven', schreef hij in Loonarbeid en kapitaal.

De begraafplaats Highgate ligt op wandelafstand van de gelijknamige chique woonwijk in Noord-Londen. In de noordwestelijke hoek van de begraafplaats vond ik een grote marmeren grafsteen, bekroond door een indrukwekkende kop van Marx en het opschrift 'Workers of all lands unite'. Er waren maar drie mensen: twee studenten met baarden uit Turkije en een jonge vrouw uit Zuid-Korea die zei dat ze socialiste was. Alle drie studeerden ze Engels in Londen .

“Marx is in Turkije een groot man, ook al is het communisme er illegaal”, zei een van de Turken. Hij voegde eraan toe dat hij om zijn socialistische activiteiten een tijdje gevangen had gezeten in Ankara.

Ik vroeg de bezoekers of zij iets van Marx gelezen hadden, Das Kapital bijvoorbeeld? De jonge Koreaanse socialiste zei van niet. “Ik heb het geprobeerd, maar het is heel dik”, zei de Turk die gearresteerd was.

Waarom wordt Marx tegenwoordig zo weinig gelezen? Misschien omdat de economie zo goed draait - maar zelfs in goede tijden kan hij ons wat leren, bijvoorbeeld dat, in tegenstelling tot wat vele orthodoxe economen tot voor kort volhielden, de levensstandaard van de arbeiders kan worden verhoogd door de werkloosheid laag te houden. Volgens Marx werden de lonen laag gehouden door de beschikbaarheid van een 'reserveleger' van werklozen, die bereid zijn het bestaande werk te doen voor minder geld. Verklein dat leger van werklozen, zei hij en de lonen zullen stijgen - precies wat er sinds anderhalf jaar gebeurt. Sedert midden 1996 schommelt de werkloosheid in de Verenigde Staten rond de vijf procent, het laagste niveau in 24 jaar; het voor inflatie gecorrigeerde gemiddelde uurloon is in die periode gestegen met 1,4 procent, de eerste waarneembare stijging in bijna tien jaar.

Het meest duurzame element van Marx' werk zou wel eens zijn theorie kunnen zijn over de plaats waar de macht is geconcentreerd in de kapitalistische samenleving. Nadat economen, gefixeerd op de keuzen van de consument, dit onderwerp decennialang hadden verwaarloosd, hebben enkele van hen de laatste tijd teruggegrepen op Marx' gedachte dat de omstandigheden waarin de mensen gedwongen zijn een keuze te doen, vaak niet minder belangrijk zijn dan die keuze zelf. (Zoals de 'keuze' die een overvaller je laat als hij je geld of je leven vraagt.)

Zo heeft Oliver Hart aan Harvard een nieuwe theorie over het functioneren van ondernemingen opgesteld die uitgaat van de machtsstrijd tussen de aandeelhouders, de bedrijfsleiding en de arbeiders. Andere economen kijken kritisch naar de uitoefening van de politieke macht. Elhanan Helpman, eveneens aan Harvard verbonden, en Gene Grossmann van Princeton University hebben een model ontworpen dat illustreert hoe de regering onder druk van concurrerende lobbyisten uit het zakenleven in de verleiding kan komen maatregelen te nemen die de handel schaden.

Marx verklaarde uiteraard met het grootste genoegen dat de politici slechts de waterdragers zijn van hun betaalmeesters in het bedrijfsleven. 'De moderne overheid is slechts een comité dat de gemeenschappelijke zaken van de hele klasse der bourgeoisie beheert', schreef hij in het manifest. Later noemde hij nog speciaal de Amerikaanse politici, die volgens hem al sedert George Washington 'ondergeschikt' waren aan de 'bourgeoisproductie'. Het tafereel van een president die in ruil voor bijdragen aan de campagnekas louche zakenlui onthaalt in het Witte Huis, zou hem in het geheel niet van zijn stuk hebben gebracht. Bij al zijn dwalingen was hij iemand voor wie onze economie nauwelijks geheimen had. Zijn boeken zullen het lezen waard blijven zolang het kapitalisme blijft bestaan.