IN DE VOETSPOREN VAN DAN JANSEN

De ster van Jan Bos rees snel. Zijn schaatscarrière nam in een jaar tijd een hoge vlucht, met als voorlopig hoogtepunt de wereldtitel sprint. Op de Olympische Spelen in Nagano, die vandaag zijn begonnen, is hij favoriet op de 1.000 meter. “Daar gaan we elkaar op een sportieve manier afmaken.”

In het M-Wave stadion van Nagano laat Dan Jansen zijn blik glijden over de 22-jarige Nederlander die hem mogelijk opvolgt als olympisch kampioen op de 1.000 meter. “Jeremy Wotherspoon is sterker, heeft meer power, maar Bos is technisch beter”, zegt de Amerikaan die vier jaar geleden in Hamar goud won op de kilometer. “En natuurlijk heeft hij de beste coach ter wereld”, voegt hij er met een knipoog naar zijn vriend en vroegere trainer Peter Mueller aan toe. Voor de 1.000 meter zet Dan Jansen - in Nagano werkzaam als commentator voor de CBS - zijn geld op Bos. “Die moet hij kunnen winnen. De 500 meter wellicht nog niet, omdat hij daarvoor de explosiviteit mist.”

Een gouden medaille winnen op de 500 meter zal ook volgens Jan Bos heel moeilijk worden, al beschouwt hij het als een voordeel dat er voor het eerst tweemaal 500 meter moet worden gereden, komende maandag en dinsdag. De lange sprinter geeft zichzelf 15 tot 25 procent kans op een overwinning. Voor de 1.000 meter, die volgende week zondag wordt verreden, schat hij zijn kansen op vijftig procent. “Die andere 50 procent is zilver. Het gaat tussen mij en Jeremy.”

Woensdagochtend stond Jansen met de Nederlandse sprintploeg op het olympische ijs. De Amerikaan kon de oranjeploeg op zijn gewone schaatsen nauwelijks bijbenen. “Ik kon ze in het begin wel bijhouden, maar omdat zij met hun klapschaatsen langere slagen maakten, ging het steeds moeilijker”, verzuchtte de olympisch kampioen toen hij van het ijs kwam. Diezelfde dag, na de persconferentie van de sprintploeg waarbij Jansen als tv-verslaggever aanwezig was, zei Bos dat hij best wat langer met de Amerikaan had willen praten. “Over hoe hij naar zijn olympische wedstrijden toeleefde, wat er op de Spelen waaraan hij meedeed goed ging en wat er verkeerd ging.”

Als geen ander weet Jansen hoe Peter Mueller als bondscoach van de Nederlandse sprinters de laatste dagen voor de Spelen met zijn pupillen omgaat. “Peter was en is erg, erg positief. Je merkt ook aan alles dat hij net zo opgewonden is, alsof hij zelf moet schaatsen.” Bos kan dat beamen. “Hij is zo verschrikkelijk zenuwachtig, nog veel zenuwachtiger dan wij”, zegt de elegante sprinter vlak voordat de Winterspelen losbarsten. Onlangs zag Bos voor het eerst beelden van Mueller als schaatser. Het betrof de laatste ronde van de 1.000 meter op de Spelen van Innsbruck (1976), Muellers gouden race. “Ik schrok me rot. Dat zag er absoluut niet uit. Je kunt dat niet vergelijken met hoe wij nu rijden. De techniek is helemaal veranderd.”

Waar Mueller de afgelopen dagen een gespannen indruk maakte, is Bos de rust zelve. “Iedere schaatser heeft last van zenuwen. Je kan helemaal dichtklappen, maar dat heb ik niet. Bij mij is er altijd een positieve spanning. Oké, dit zijn ook mijn eerste Spelen, maar ik denk niet dat het verschil qua spanning zo groot is met de WK sprint. Ik was aan het eind daar behoorlijk zenuwachtig, maar ik reed toch een goede 1.000 meter.”

Een jaar geleden ging Jan Bos er nog van uit dat hij in Salt Lake City zijn eerste Olympische Spelen zou meemaken, in 2004. Maar naarmate het vorige seizoen vorderde, als pupil van Leen Pfrommer, tekenden zich voor de schaatser uit Hierden de contouren af van Nagano. Bos lag vier jaar voor op zijn eigen schema. In Baselga di Pine won Bos vorige maand als eerste Nederlander bij een wereldbekerwedstrijd de 500 meter. Dat resultaat was illustratief voor de progressie die hij dit seizoen heeft gemaakt. Dat die zege op de 500 meter geen toevalstreffer was, bewees hij in Berlijn op de generale voor de Spelen. Hij veroverde de wereldtitel na overwinningen op drie van de vier afstanden. Twee keer won hij de 1.000 meter, eenmaal de 500. Het leverde Bos onder meer een gouden ketting op, met een hangertje in de vorm van een schaats waarop een diamant is aangebracht. In Nagano koestert Bos het cadeautje van de schaatsenfabrikant Viking.

Ook als kind maakte Bos razendsnel progressie. “Jan verbeterde zijn pr's altijd met seconden, niet met tienden of honderdsten”, zegt vader Willem Bos, die vandaag met zijn vrouw en de meeste ouders van de overige Nederlandse schaatsers in Nagano arriveert. Toen Jan veertien was, namen zijn ouders hem in de kerstvakantie mee naar de oude ijsbaan in Inzell. Foto's uit die tijd tonen het ventje in zijn karakteristieke starthouding en met zijn kattenrug in de bocht.

De vraag is of Bos het zonder zijn vriend Wennemars in zo'n korte tijd zo ver zou hebben geschopt. Omgekeerd geldt dat ook voor Wennemars. “Dat weet je natuurlijk nooit, maar we hebben elkaar wel beter gemaakt. Je beconcurreert elkaar, iedere wedstrijd ga je er vol in. Normaal gesproken zou er zonder Erben een gat achter mij hebben gezeten. Dan had ik het soms wat rustiger aan kunnen doen. Met Erben erbij kan ik me dat niet permitteren, want ik wil niet één keer verliezen.”

Bos heeft het gehele seizoen constant gepresteerd, in een immer opgaande lijn. Dieptepunten kende hij niet, zelfs geen dipje. De verandering van trainer - nog geen jaar voor de Spelen verhuisde hij noodgedwongen van Leen Pfrommer naar Mueller - was niet zonder risico, geeft Bos toe. “Er zit een zeker risico in, maar het is voor ons goed uitgepakt. Ik denk dat ik van iedere trainer wel iets kan leren. Maar Erben en ik hadden echt het idee dat we nog lang niet op een niveau waren dat we Peter nodig hadden. Wij dachten dat we verder zouden gaan met Leen om nog meer progressie te bereiken.” Toen Pfrommer en de schaatsbond niet tot overeenstemming konden komen over een nieuw contract, ging dat feest niet door. Maar ook onder Mueller zitten de sprinters - Bos, Wennemars en Jakko Jan Leeuwangh - volgens Bos nog niet aan hun top. “We zijn nog lang niet uitgegroeid.”

Technisch is Bos superieur aan de rest van het sprintersveld. “Ik zie nog wel eens beelden van toen ik een jaar of veertien was. Toen reed ik niet veel anders. Ik heb nu wel een hele lange slag en alles bij elkaar is het iets effectiever geworden. Ik ben ook veel rechter vooruit gaan rijden.” Nog steeds lijkt Bos niet snel over het ijs te gaan. Schijn bedriegt, zegt zijn vader. “Toen ik hem als kind zag schaatsen, dacht ik, dat gaat niet hard. Maar dan keek ik naar de klok en bleek dat hij wel hard had gereden.”

Als in een vloeiende beweging stapte Bos precies een jaar geleden over op de klapschaats. “Ik ben er harder op gaan rijden. Je ziet jongens, zoals de Japanners, die er nog vreselijk veel problemen mee hebben. Vooral Shimizu en Horii. En dat zijn toch de kanjers van Japan. Je hebt ze al een tijd niet meer gezien. Toch blijft Shimizu voor mij de favoriet op de 500 meter. Maar de voorsprong die ze hadden is door de klapschaats helemaal verdwenen. Dat geldt nog meer voor Klevtsjenja, die ik net als Shimizu altijd erg bewonderde. Die was vorig jaar nog gewoon wereldkampioen.” Shimizu werd bij de WK sprint nog vierde, de Rus eindigde op een ontluisterende negentiende plaats. Bos vindt het oprecht jammer dat beide sprinters wat van hun glans verloren hebben. In een kruising van de twee ziet hij echter nog steeds de perfecte sprinter.

Praat hij wel eens met de Rus en de Japanner? “Met Klevtsjenja heel weinig, met Shimizu wel. Hij was ook in Inzell (vlak voor het WK sprint, red.) en daar reed hij steeds achter ons aan. Daar zag ik ook dat hij dingen verkeerd doet. Dat zeg ik uiteraard niet. Ik zou wel gek zijn. Bij zijn afzet schiet hij het laatste stukje naar achteren. Franziska Schenk doet dat ook. Ze trappen naar achteren en als je dat doet heb je geen afzet meer. Je moet juist zover mogelijk opzij afzetten.”

Bos herkent bij de Japanners de drang tot kopiëren. “Ze weten precies wat wij doen en hoe wij het doen. Als je aan de top staat, wordt er er in één keer zo naar je gekeken. Dan weet je ook dat het goed zit. En iedere keer zeggen ze: 'goed getraind, goed getraind'. En dat het er heel mooi uitziet. Dan zie je Shimizu naar onze schaatsen kijken en dan wil hij ze in zijn handen hebben. Als je ze op een bankje legt en je bent er één aan het schoonmaken, pakt hij de andere beet dan is het 'ting, ting, ting' (Bos tikt in het luchtledige tegen de buis van een denkbeeldige klapschaats en laat er een timmermansoog langs glijden, red.) en dan staan ze te kijken. Of er speling op zit en dat soort dingen. Dan pak je hem weer terug en duw je de schaats in je tas. Ze zijn heel nieuwsgierig.”

Op de 1.000 meter is de Canadees Wotherspoon zijn grootste rivaal. “Hij komt slungelig over, maar haalt meer uit de lengte van zijn benen. Ook zijn timing is heel goed, vooral zijn moment van afzet. Hij heeft ook meer kracht. Een ander pluspunt is dat hij heel weinig nadenkt over het schaatsen. Hij staat aan de start en hij rijdt. Goed ijs of slecht ijs, het maakt hem niks uit. Hij doet het gewoon. Maar in Berlijn is hij me eigenlijk wel tegengevallen. Misschien is hij mentaal toch niet zo sterk.”

Van een psychologische oorlogvoering met de Canadees is volgens Bos geen sprake. “We kijken wel goed naar elkaar maar er komen geen nare dingen aan te pas. Het is niet dat ik hem ontwijk of zo. We komen elkaar gewoon niet vaak tegen. Ik zie hem bij de start, verder heel weinig.”

Weer ziet Bos de race op de 1.000 meter voor zich, met Wotherspoon naast zich. “Daar gaan we elkaar op een sportieve manier afmaken.”