In de sociologische ondergrondse

Philosophy of the social sciences. Volume 27, nr. 4, december 1997. Verschijnt driemaandelijks. Losse nummers $ 17,- (excl. porto), jaarabonnement buiten de VS $ 76,-. Info Sage Publications London 00 44 171 374 06645. Ter inzage in de meeste universiteitsbibliotheken.

KUN JE DE werkelijkheid begrijpen met één verklaringsmodel? En kan zo'n verklaringsmodel wel zelfstandig bestaan, zonder 'extern fundament'? En wat is eigenlijk een bevredigende verklaring? Had Thomas Kuhn, met zijn theorie over de paradigma-revoluties in de wetenschap, eigenlijk wel verstand van sociologie? Welke onzin wordt er allemaal verteld over de filosofie van Karl Popper? Moet de symboliek van religieuze handelingen een rol spelen bij de sociologische verklaring ervan?

Al deze vragen, aan sommige waarvan theoretici een levenlang werken, worden behandeld in het recentste nummer van Philosophy of the social sciences. Het blad biedt een blik op de theoretische grondslagen onder de sociale wetenschappen. In principe kan in dit bijna 30 jaar oude kwartaaltijdschrift zo ongeveer alles aan de orde komen, zolang het maar te maken heeft met methodologie, filosofische uitgangspunten, rationaliteit en de geschiedenis van de sociale wetenschappen. Debat tussen scholen wordt aangemoedigd. In de redactieraad hebben dan ook uiteenlopende figuren zitting, zoals de nu ruim tachtigjarige rationalistische functionalist Robert K. Merton en de taalfilosoof Noam Chomsky, maar ook de Franse postmoderne deconstructivist Jacques Derrida.

Wie afdaalt naar de fundamenten van de sociale wetenschappen, betreedt een labyrint van lang niet allemaal even goed verlichte kelders. Mensen van vlees en bloed kom je in de studies amper tegen. Wel woekeren er in de gangen 'zelfverwijzende post-fundamentalistische systemen', en zwerven er 'kinematische procestheorieën zonder verklaringskracht' en 'negatief utilitarisme' rond.

In een van de meer duistere hoekjes van dit complex van grondslagen bevindt zich de Duitse theoreticus Niklas Lühmann. Zijn levenswerk vormt het onderwerp van het eerste artikel in het decembernummer van PSS. Lühmann is een leerling van de Amerikaanse socioloog Talcott Parsons (1902 - 1979), die met zijn alomvattende theorie van het 'structureel functionalisme' grote invloed heeft gehad op het sociologische denken. Volgens Parsons wordt de persoonlijkheid van een mens bepaald door het sociale (sub)systeem waarvan de waarden en normen worden 'ingeprent' door 'socialisatie': door de vormende interactie met andere leden van die gemeenschap. Het socialisatie-begrip is een vrij algemeen uitgangspunt geworden, maar Parsons' totale systeem kreeg, vooral sinds de jaren zeventig, veel kritiek te verduren, wegens zijn gebrekkige aandacht voor sociale conflicten en voor individualisme.

Lühmann bouwt in een lange reeks van dikke boeken - zoals Soziale Systeme: Grundriss einer allgemeine Theorie (1984, ruim 700 blz.) of Die Wissenschaft der Gesellschaft (1992, 500 blz.) - nog altijd voort op Parsons' systeem, in scherpe polemiek met 'kritische' filosofen als Jürgen Habermas. In PSS wijdt de Duitse socioloog Gerhard Wagner een complexe, maar vernietigende beschouwing aan het theoretische bouwwerk van deze Parsons-leerling. De meeste sociologie is 'fundamentalistisch', vindt Wagner. Want alle sociologische redeneringen gaan uiteindelijk terug op metafysische uitgangspunten die niet wetenschappelijk zijn te bewijzen, zoals de stelling dat mensen altijd rationeel c.q. in hun eigen belang handelen. In de dagelijkse onderzoekspraktijk kan sociologen dit soort problemen vaak weinig schelen, maar voor echte theoretici is zo'n 'buitenwetenschappelijk' fundament een gruwel.

Lühmann nu beweert dat zijn theorie niet rust op zo'n 'extern' fundament en wel omdat hij in zijn theorie een principieel onderscheid maakt tussen het 'sociale systeem' en de 'omgeving'. Om de precieze portee van dit onderscheid te begrijpen moet je waarschijnlijk duizenden bladzijden filosofen-Duits van Lühmann doorwerken, maar Wagner maakt in zijn artikel niettemin duidelijk dat deze pretentie hol is. Want zonder een absoluut, 'extern' idee van identiteit (wat Lühmann beweert niet nodig te hebben) is zo'n idee van verschil zinledig. Het levenswerk van Lühmann mag dan bestaan uit “een theorie van zelfverwijzende systemen”, in de laatste zin van zijn artikel typeert Wagner het als “een doodlopende weg”. Lühmann is een soort halfweg-hegeliaan, zo schrijft Wagner, want hij blijft hangen in de antithese. En evengoed als andere theoretici moet ook Lühmann zich uiteindelijk baseren op 'externe' ideeën over de werkelijkheid. Het lijkt een beetje op de kwestie dat de basisregels van de logica niet logisch te beredeneren zijn zonder een beroep te doen op diezelfde regels.

Niet is veilig voor theoretische analyse. De wetenschapshistoricus Thomas Kuhn leek met zijn paradigma-verandering in een wetenschappelijke gemeenschap als verklaring voor wetenschappelijke veranderingen een fraai sociaal mechanisme te hebben blootgelegd, maar helaas. De Australische sociologen Struan Jacobs en Brian Mooney zetten in PSS vrij overtuigend uiteen dat Kuhn het begrip wetenschappelijke gemeenschap zo vaag formuleert dat het idee bij nadere beschouwing eigenlijk onbruikbaar is. De wetenschappelijke gemeenschap als samenhangende groep bestaat niet. Wetenschappers worden helemaal niet uitsluitend door elkaar beïnvloed, is een van de kritiekpunten. Universiteitsbesturen, uitgevers, overheidsambtenaren, fondsbeheerders en dergelijke hebben bijvoorbeeld evengoed veel invloed op de richting die onderzoek uitgaat.

Het artikel is - in combinatie met de andere artikelen in PSS - een goed voorbeeld van de stelling dat theoretische sociologen op hun best zijn in het bekritiseren, niet in het opbouwen van denksystemen.