Hoe het opsporingsapparaat worstelde met de Nederlandse hasjtop; De gouden oorlog

Met de veroordeling van drugsbaronnen Johan V. en Etienne U. zijn de belangrijkste juridische veldslagen tussen opsporings- apparaat en onderwereld voor- lopig in het voordeel van justitie beslecht. Toch bestaat er een discrepantie tussen de inspanningen van het opsporingsapparaat en de milde sancties. 'Natuurlijk helpt de drugsoorlog niets', aldus een rechter. Een tussenbalans van de Grote Tienjarige Vaderlandse Hasjoorlog.

Als uit het lood geslagen potvissen. Steeds vaker spoelden ze in de jaren tachtig aan. Containers met hasj. Ze werden gedropt op de stranden van Noord-Holland, Friesland en de Waddeneilanden. Een enkele keer werden er ook mensen aangehouden en voor verhoor opgebracht naar de politie. “Maar die lieden stonden dan binnen een dag weer buiten”, herinnert J.C. van Riessen zich, plaatsvervangend korpschef van Amsterdam.

De leveranciers van het uitdijende netwerk van Nederlandse coffeeshops genoten in die dagen “geen prioriteit”. In Amsterdam joeg de politie op Chinezen en later Turken die het veel schadelijker genotsmiddel heroïne importeerden. De overige rechercheurs werden ingezet ter bestrijding van de kleine, veel voorkomende criminaliteit.

Het was een houding die de Hollandse softdrugsondernemers in staat stelde onbelemmerd een crimineel imperium op te bouwen. Misdadige organisaties die al dan niet in vereniging werden geleid door Amsterdamse penoze - lieden die investeringsmarkten zochten voor het met overvallen royaal verdiende geld - en Brabantse 'kampers' die traditioneel hun sporen hadden verdiend met botersmokkel en handel in tweedehands auto's, maar inmiddels waren overgestapt op winstgevender producten.

Het waren vaak “niet eens onaardige jongens”, zegt Van Riessen. “Ze hadden van die leuke Amsterdamse humor. En dat was ook het gevaarlijke. Het waren gangsters met twee gezichten: je kon ermee lachen, maar ze konden ook met een vingerknip aangeven dat er iemand uit de weg moest worden geruimd.”

De groothandelaren waanden zich in die tijd onaantastbaar. Ze belegden opzichtig conspiratieve bijeenkomsten in bijvoorbeeld het Amstelhotel. Lijfwachten hielden pottenkijkers op afstand. “De hasjbaronnen werden in kroegen als koningen ontvangen”, zegt Van Riessen. “Op onze dienders maakte het een rare indruk: die kregen een grote bek terug. Veel jonge criminelen moeten toen gedacht hebben: dit wordt ook mijn toekomst.”

Door omkoperij, liquidaties en het witten van crimineel geld lieten ze steeds vaker van zich spreken. Dat ze veel geld hadden, staat voor strafpleiter P. Doedens uit Utrecht vast. Ze hadden in ieder geval meer geld dan justitie zelf in royale schattingen vaststelde, zegt de advocaat. Hij spreekt over cliënten van wie uit het dossier bleek “dat de bankbiljetten er tot het plafond gestapeld lagen”.

Maar het werd volgens de advocaat ook met bakken uitgegeven. “Er komt heel wat bij kijken. De handelaren moeten een schip kopen, het ombouwen en bergplaatsen aanleggen. Ze schaffen een officiële deklading aan die ze halverwege de rit vaak in zee laten donderen. Vanuit de bergen in Pakistan moeten ze op de rug van kamelen die hasj naar de haven vervoeren en daar weer jan-en-alleman omkopen om het spul ongezien weg te krijgen. Het is een hele dure organisatie.”

In 1988 was voor de politie de maat vol. Noord-Hollandse politiekorpsen bundelden de krachten in het zogeheten Waddenteam dat een inventarisatie moest maken van degenen die verantwoordelijk waren voor de eigenaardige, geestverruimende kustvervuiling: de kolossale invoer van hasj vanuit Pakistan en Marokko. De vorming van de rechercheploeg was de opmaat van een meedogenloze wapenwedloop tussen het opsporingsapparaat en de crème de la crème van de Nederlandse onderwereld. Een strijd die in één decennium leidde tot een gedaanteverwisseling van het politie-apparaat, de professionalisering van de strafadvocatuur en het openbaar ministerie en een overvloed aan nieuwe wetgeving. Het tot dan toe zo gemoedelijke Nederlandse strafproces veranderde in een arena waar juridische veldslagen sindsdien het beeld bepalen.

De Grote Tienjarige Vaderlandse Hasjoorlog was begonnen. Een strijd die vorige week een hoogtepunt beleefde met de veroordeling van de invloedrijkste vertegenwoordiger van de Amsterdamse onderwereld - de troonopvolger van Klaas Bruinsma - Etienne U. en de bestraffing van de aanvoerder van de 'kampers', Johan - de Hakkelaar - V. Maar nog altijd gaapt een kloof tussen de inspanningen van het opsporingsapparaat om de drugsbaronnen veroordeeld te krijgen, en de sancties die de wet biedt.

Tijdsloten

Ruim de helft van de capaciteit van het Nederlandse opsporingsapparaat werd de afgelopen jaren ingezet voor de war on drugs, is een voorzichtige schatting van betrokkenen. Een gedetailleerd overzicht is nergens te achterhalen. “Er is niemand die een overall-beeld heeft van de inspanningen die de hasjoorlog heeft gekost. Niet op het ministerie van Binnenlandse Zaken en niet op het Nederlands politie-instituut. Ik heb alles nagevraagd, maar niente”, zegt woordvoerder G. Bodewitz van Binnenlandse Zaken.

Het zwaartepunt van de bestrijding van de hasjhandel lag in het ressort Amsterdam. In 1991 maakte de politietop afspraken over de werkverdeling. Den Haag richtte zich op de drugshandel via Zuid-Amerika, het oosten van het land stortte zich op de Turkse mafia, Rotterdam moest de milieucriminaliteit en EG-fraude aanpakken en Amsterdam bond de strijd aan met de Hollandse netwerken.

De transformatie van het recherchewerk voltrok zich voor de buitenwereld in grote stilte. Maar ook binnen het opsporingsapparaat was geheimzinnigheid troef. “Bij de recherche Amsterdam, het kernteam IRT en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD) begonnen allerlei zogeheten embargo-onderzoeken. Je wist nauwelijks waar iedereen mee bezig was. De informatie-uitwisseling verliep heel stroef. Het was bepaald niet zo dat je kon spreken van één georganiseerd front van de kant van justitie”, zegt officier van justitie J. Valente die in die dagen op het Amsterdamse parket aan het pionierswerk begon.

Bij de Amsterdamse politie, zegt Van Riessen, hebben zich van de 5.000 agenten de afgelopen jaren een paar honderd rechercheurs permanent beziggehouden met hasjbestrijding. Met het oog op de te leveren veldslag werd de recherche in 1992 drastisch gereorganiseerd. “We hebben de beuk erin gegooid, want we zaten volkomen op dood spoor.”

Voor Van Riessen, die zo'n dertig jaar ervaring heeft met recherchewerk, werd de metamorfose in alle opzichten zichtbaar, vertelt hij op zijn luxueus gerenoveerde, stijlvolle kamer op het hoofdbureau. Vroeger was het politiebureau een bijenkorf waar “rechercheurs door de gangen renden. Er werd met deuren gesmeten. Boeven werden gevolgd, men infiltreerde, tapte en lag in de goot te kijken”.

Nu heerst er op de gangen de rust van het kadaster. “Ik kan geen kamer binnen want daar zit een tijdslot op. Mannen zitten hele dagen naar computers te staren. Maar ze kunnen nu wel binnen vijf minuten netwerken blootleggen waar we vroeger met een team twee jaar over deden.”

De groeperingen waar de politie zich op richtte zijn kortweg in drie bendes in te delen. De Amsterdamse groep van Klaas Bruinsma en Etienne U., de 'kampers' zoals Johan V., Koos R., Bertus K., Cees H. en Kobus L., en de groepering rondom ex-autocoureur Charles Z. die veelal gebruik maakte van legale transportbedrijven voor het smokkelen van hasj. Een enkele uitzondering daargelaten zijn al die handelaren inmiddels veroordeeld tot straffen van gemiddeld vier à zes jaar. Kobus L., spilfiguur uit de Brabantse onderwereld die vanuit Rotterdam werd onderzocht, moet vijftien jaar zitten omdat hij ook in harddrugs handelde.

Het duurde vijf jaar na de officieuze afkondiging voordat in de rechtbank echt opviel dat de criminaliteitsbestrijding een nieuwe fase was ingegaan. Op 8 december 1993 begon in het Amsterdamse gerechtshof - onmiddellijk na aanvang van de zitting tegen een drugsbende - een advocaat voor te lezen uit de krant. Het ging om een bericht waarin de Amsterdamse driehoek bekendmaakte het IRT-team te hebben opgeheven wegens het gebruik van ontoelaatbare opsporingsmethoden. Twee dagen later zaten hoofdcommissaris E. Nordholt en hoofdofficier van justitie H. Vrakking in de getuigenbank om opheldering te verschaffen. Een ongewoon tafereel.

“Toen is de bal echt gaan rollen en ontwikkelde de discussie over rechtmatigheid van opsporingsmethoden zich tot een permanent durend debat”, zegt raadsheer en vice-president J. Willems, toen voorzitter van de strafkamer van het Amsterdamse gerechtshof. De discussie in de rechtszaal veranderde drastisch. De vraag: is de verdachte schuldig, veranderde in de kwestie: hebben de politie en het OM fatsoenlijk, legaal hun werk gedaan.

De cesuur had zich voor de rechters geleidelijk voltrokken. Er kwam meer papier, dat wel. Als Willems voorheen naar de zitting ging, kon hij de stukken op één hand dragen. De activiteiten van de drugsbende die hij in 1993 berechtte, stonden samengevat in achttien ordners. “We hadden voor de behandeling twee volle zittingsdagen gereserveerd. Dat was echt uniek”, zegt Willems. Uiteindelijk zou het hof achttien zittingsdagen bezig zijn omdat de advocaten bijna iedere opsporingsambtenaar als getuige wilden horen.

Het bleek het begin van een trend die tot op heden het rechterlijk apparaat overbelast. De bewuste strafzaak maakte zoveel indruk op Willems dat de dag van de uitspraak in zijn geheugen staat gegrift als betrof het zijn trouwdag: 9 juni 1994. Twee weken lang waren drie raadsheren en twee griffiers dag en nacht bezig geweest om de uitspraak te formuleren. Het arrest telde 714 pagina's. “Na de uitspraak was ik zelfs even van de wereld. Er was sprake van totale uitputting”, vertelt Willems.

De afgelopen vijf jaar is het aantal strafkamers (drie raadsheren) van het Amsterdamse gerechtshof verdubbeld tot acht. Had het oude strafkamerwerk nog iets “mechanisch” waarbij arresten vaak door de griffier met behulp van codes konden worden samengesteld - bijvoorbeeld code P1: er zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten - nu moet de rechter steeds een origineel antwoord verzinnen op de verweren. “De materiële inhoud van het werk is gigantisch toegenomen.”

Ordinair

Ook de toon van het debat in de rechtszaal veranderde. Advocaten en officieren van justitie gingen elkaar met een voorheen ongekende vinnigheid te lijf. “Prima”, oordeelt Willems. “Men bevecht elkaars standpunten en dat brengt alleen maar meer helderheid.”

Het is een ontwikkeling die strafpleiters en aanklagers een stuk minder aangenaam voorkomt. “Die verharding zit me dwars”, zegt de Amsterdamse advocaat G. Meijers. “Ik vond het plezierig dat advocatuur en OM normaal met elkaar omgingen. Dat beide partijen er vanuit eigen invalshoek naar streefden een eerlijk proces te bevorderen. De suggestie wordt nu vaak gewekt dat wij de boel bedonderen. En er zijn natuurlijk ook advocaten, civilisten die particuliere criminele belangen behartigen, die veel te ver gaan. Maar officieren van justitie hebben de neiging die incidenten op onze hele beroepsgroep te projecteren.”

En ook officier van justitie M. Witteveen, die samen met collega F. Teeven in het Hakkelaar-proces een gevecht op leven en dood leverde met de fine fleur van de Nederlandse strafpleiters, klaagt over de “te grote druk” die op een officier van justitie wordt gelegd. “Er is een groot afbreukrisico in onze sector. We worden onvoldoende vertrouwd, we worden door advocaten te veel in het verdachtenhoekje gezet. Zo van: 'jullie zullen wel materiaal achterhouden', maar vergeet niet dat wij de dienaars van de overheid zijn. We leggen elke komma uit, maar dan is het nog vaak niet goed genoeg. In principe zouden rechters toch ook wat meer vertrouwen in onze integriteit mogen hebben en niet elke verdachtmaking van advocaten serieus nemen. Een verdachte mag liegen, wij niet”, zegt Witteveen.

Advocaat Doedens, die ook optrad in de Hakkelaar-zaak, voorspelt dat de gemoederen weer zullen bedaren. Het OM zal volgens hem weer kiezen voor een ingetogen, magistratelijke behandeling en dan verdwijnt de polarisatie vanzelf. “Bij de Hakkelaar ontstonden ordinaire taferelen omdat justitie de zaak met alle middelen als het 'proces van de eeuw' ging verkopen. Dan moet je als advocaat wel met een grote bek terugschreeuwen. Als je in je eentje gaat zitten blèren en de officier van justitie blijft rustig op zijn stoel zitten, dan wordt het niks.”

Advocaten lijken overigens de partij die het meeste garen spint bij het ontstaan van de zogeheten megastrafzaken. Die zaken bieden de confrères een lucratief forum om hun juridische kunsten te vertonen. En het is niet alleen maar verontwaardiging over 'de teloorgang van de rechtsstaat' die er toe leidt dat advocaten zo dikwijls de publiciteit zoeken. Een advocaat is ook een middenstander en in grote zaken kan hij zijn ambacht uitstekend verkopen. “Als een zaak om publicitaire redenen interessant is, ben ik bereid tegen een lager tarief te werken”, zegt Doedens onomwonden.

Maar doorgaans liegen de verdiensten er niet om. “Het aantal strafzaken dat je aankunt is weliswaar afgenomen. Maar die grote zaken zijn financieel aantrekkelijk”, vertelt Meijers op zijn kantoor waar gestapelde ordners het zicht op het behang ontnemen. De voorbereidingstijd, de verhoren bij de rechter-commissaris en een feitelijke behandeling in twee instanties - voor je het weet kan een advocaat vijfhonderd uur schrijven. Tegen een bescheiden tarief van driehonderd gulden betekent dat een opbrengst van 1,5 ton.

De strijd werd steeds grimmiger. Tijdens de berechting van Charles Z. waarschuwde hoofdofficier Vrakking voor “Italiaanse toestanden”. Nederland maakte kennis met bedreigingen uit de onderwereld. Corruptie bleek wijdverbreid, politiemensen en officieren van justitie werden door de onderwereld afgeluisterd, er werd ingebroken en er was een dreiging met ontvoeringen van magistraten.

Het meest geplaagde slachtoffer werd de Amsterdamse officier van justitie J. Valente die Charles Z. vervolgde. Hij werd fysiek belaagd en zijn woning werd door de onderwereld doorzocht. “Ik ben ook de eerste officier van justitie geweest die nadrukkelijk door de pers is aangevallen via informatie die journalisten van criminelen kregen. Het OM was zo verrast door die aanval dat men mij onbeschermd aan mijn lot heeft overgelaten”, zegt Valente.

“In een optimistische bui probeer ik de campagne tegen mijn persoon maar als een compliment op te vatten. Toen ik met mijn onderzoek doeltreffend werd, ben ik buiten de rechtszaal om onderuit gehaald”, zegt Valente. Maar meestal wordt hij opnieuw kwaad. Dat hij twee jaar geleden via de tv werd afgeschilderd als onverantwoordelijk en mede daardoor uiteindelijk zich genoodzaakt zag het dynamische Amsterdamse parket te verruilen voor het kleinere OM van Middelburg, steekt. Hij woont riant in een villa op een kwartiertje van het parket, er spelen drie Vlaamse gaaien vrolijk in de tuin, maar toch. “De schade voor mij en mijn vrouw is gigantisch. Ik woon ineens in een boerengat. Een vriend van ons zei: je zit in een Ferrari maar je mag er alleen maar op het boerenerf mee rijden.”

Ook de overige frontsoldaten merkten dat de aanpak van de drugshandel een vuile oorlog kan zijn. Hun woningen werden extra beveiligd en ze zoefden onder begeleiding van een arrestatieteam naar het werk. Het maakt je enigszins paranoïde. Rechter Willems noteert nog steeds de kentekens van voertuigen die hem ongebruikelijk agressief bejegenen in het verkeer. En Witteveen moet op hoogtijdagen zijn familie meer dan gebruikelijk geruststellen. Maar een serieuze dreiging hebben ze nooit ervaren.

“Die grote hasjhandelaren zijn te intelligent om te denken dat ze met bommen naar de overheid moeten gaan gooien”, zegt commissaris Van Riessen. “Ze hebben een intelligentere en eigenlijk schadelijker soort oppositie gevoerd. Er was voortdurend de dreiging van corruptie, mensen werden beschadigd door ze al dan niet via advocaten van van-alles-en-nog-wat te beschuldigen. Maar de verwachte gewelddadige tegenacties zijn eigenlijk reuze meegevallen.”

Vrije voeten

Cynici in het opsporingsapparaat merken op dat er voor de nu veroordeelde hasjhandelaren ook geen enkele reden is wanhopig om zich heen te slaan. Toen Koos R. vorige week tot 3,5 jaar cel werd veroordeeld, brak er op de publieke tribune triomfantelijk gejuich los onder zijn aanhangers. Hij zit, na aftrek van voorarrest, voor de zomervakantie weer thuis. Johan V., 5,5 jaar cel en een miljoen gulden boete, feliciteerde opgewekt aanklaagster A. Korvinus.

Het zijn constateringen die officier Witteveen bedroeven. Het stoort hem nog steeds dat zijn in het requisitoir van de Hakkelaar-zaak gedane oproep de straffen voor groothandelaren in hasj substantieel te verhogen, niet is gehonoreerd.

Er blijft nu een enorme discrepantie bestaan tussen de inspanningen van het opsporingsapparaat en de relatief milde sancties die de wetgever de Nederlandse drugsbaronnen oplegt. Zo kan de leider van een criminele organisatie hooguit een jaar of zeven krijgen. “Door die lage strafmaat hebben we slechts speldenprikken kunnen uitdelen”, zegt Witteveen. “Het parlement moet toch echt een principiële keuze maken voor de invoering van een zogeheten gekwalificeerd hasjdelict: als het gaat om de invoer van hasj in georganiseerd verband moet een dubbele straf van de huidige van vier jaar mogelijk zijn.”

Zijn collega Valente ziet daarentegen geen heil in een hogere strafmaat. “Het probleem is dat lieden gigantische vermogens kunnen verdienen met een eenvoudig uit te voeren delict. Vervolgens kun je je geld zo ver weg parkeren dat justitie er nauwelijks nog aan komt. Het is zaak er voor te zorgen dat justitie wereldwijd in staat is effectief crimineel geld af te pakken.”

Maar juist op dit terrein faalt het opsporingswerk volledig. In 1993 is de zogeheten Pluk Ze-wetgeving geïntroduceerd. Die bepalingen maken het justitie makkelijker te bewijzen dat vermogen uit criminaliteit afkomstig is en een verdachte moet zes jaar zitten (voorheen zes maanden) als hij niet betaalt. Maar in de grote hasjzaken heeft die wetgeving nauwelijks geld opgeleverd mede omdat het gaat om strafbare feiten die voor 1993 zijn gepleegd.

Voor zover de drugshandelaren “in hun portemonnee” zijn getroffen, zoals justitie steeds zegt na te streven, gaat het alleen om het afpakken van kleingeld. De sportauto wordt geconfisqueerd en een enkele verdachte treft een regeling met de fiscus. Zo is drugshandelaar Henk R. vorig jaar oktober met de fiscus overeengekomen vier miljoen gulden te betalen ter kwijting van alle vorderingen van enige tientallen miljoenen guldens wegens illegale inkomsten.

“Het financiële plaatje bij al deze onderzoeken stemt niet vrolijk”, geeft Witteveen ruiterlijk toe. “Justitie schetst in het algemeen een veel te rooskleurig beeld over de grote voordelen van financieel rechercheren. We pakken hooguit iets af van de sulletjes en het middenkader.”

Tegen Cees H. werd met veel bravoure een claim ingediend van 500 miljoen gulden maar er is geen cent geïnd. “De procedure is al twee jaar hangende.” En ook van De Hakkelaar, die volgens Witteveen honderden miljoenen guldens moet hebben verdiend, is vooralsnog alleen een auto en een bankrekening met 100.000 gulden afgepakt.

“De FIOD had het plan om nog twee jaar met tien rechercheurs in een strafrechtelijk financieel onderzoek de bezittingen en het vermogen van Johan V. in kaart te brengen maar wij zagen daar niets in. Wij denken dat het moeilijk te vinden is. De Hakkelaar is veel op de Bahama's geweest, maar de autoriteiten daar geven geen medewerking aan ons onderzoek. Onze brieven aan Paraguay - waar Johan zich ophield - om medewerking zijn zelfs nooit beantwoord. De Hakkelaar had allemaal 06-lijnen over de hele wereld en bedrijven op Curaçao, maar we hebben er niets van kunnen terugvinden.”

Het brengt Witteveen tot de slotsom dat je een boef nog het beste pakt door hem zo lang mogelijk achter de tralies te krijgen. “De eerste officier van justitie die er in zou slagen zelfs maar de helft af te pakken van het vermogen van een grote drugshandelaar moet onmiddellijk worden beloond met een nieuw in te stellen Nobelprijs.”

De wetgever is ook zo vreselijk naïef, schetst Doedens. Dacht justitie nou echt dat haar cliënten rustig hebben zitten afwachten totdat het parlement akkoord zou gaan met de aangekondigde introductie van Pluk Ze-wetgeving? “Je zou als crimineel wel een hele onnozele hals zijn als je niet anticipeert op die wetgeving. Mijn cliënten parkeren hun dure auto bij de grens en rijden in een Fiatje het land binnen. In Nederland is niets te halen.”

En er is nog een treurige vaststelling die alle betrokkenen unaniem delen. De veroordelingen van de grote hasjbaronnen hebben de criminaliteit in het geheel niet teruggedrongen. “Elke criminele organisatie zorgt voor vervanging als het kader wegvalt”, zegt Doedens. “Een van mijn veroordeelde cliënten heeft zeven broers. Wat dacht je dat die nu doen? Je zou wel een enorme sufkut zijn als je ermee stopt want hasj blijft gouden handel.”

“Neen, natuurlijk helpt die drugsoorlog niets”, zegt vice-president Willems resoluut. “Als ik mijn kamer vandaag stofzuig is er toch ook geen garantie dat er morgen geen stof meer ligt?”

Het zijn conclusies die in alle nuchterheid worden getrokken. Niemand zegt ook daadwerkelijk de illusie te hebben gehad de drugshandel een gevoelige slag toe te brengen. En geen enkele magistraat of politieman vindt dat de strijd moet worden opgegeven.

“We hebben door onze onderzoeken een goede diagnose kunnen maken. Nu is het zaak betere geneesmiddelen te ontwikkelen”, zegt Valente.

“Verdovende middelen zijn de grootste rotzooi dus je moet er gewoon tegen optreden. Het verslaafd maken van mensen aan drugs is ongeciviliseerd en dus niet te tolereren. Je maakt je niet geloofwaardig als je het erbij laat zitten”, zegt Willems.

“Je moet ze in hun nieren blijven treffen”, vindt Witteveen. “Er zijn nog een aantal grote jongens te pakken. En nu beseffen ze ten minste dat ze allemaal een keer aan de beurt komen.”

En ook commissaris Van Riessen vindt dat er geen reden tot somberheid is. “We hebben aangetoond dat we de onaantastbare boeven uiteindelijk in de blote kont kunnen zetten. We hebben hun wereldbeeld van Lang-Leve-Plezier onderuit gehaald. Ze komen nooit meer gerenommeerd terug. Deze jongens tellen straks niet meer mee.”