Een wonderrabbijn; Generaties van sociale wetenschappers gebruikten Marx à la carte

In de vorige eeuw leefde in een Pools dorpje een wonderrabbijn, de trots van zijn gemeenteleden, die hoog opgaven van zijn kwaliteiten als ziener. Toen dan ook op een keer een bezoeker uit een naburig dorp die bovenmenselijke gave in twijfel dorst te trekken, gingen zijn gemeentenaren naar de wonderdoener met een nederig verzoek om een teken, waarmee de ongelovige schaakmat kon worden gezet. De rabbijn verzonk in gepeins.

Na enige tijd zei hij: “Tweehonderd kilometer hiervandaan ligt Bialystok. Ga daarheen. Als je aankomt zul je te horen krijgen, dat juist op die dag de rabbijn van de hoofdsynagoge zal zijn overleden.”

Men besluit meteen een bode te paard naar Bialystok te zenden. Na een dag of wat komt de man onthutst terug: de rabbijn van Bialystok is springlevend en verkeert in de beste gezondheid. Grote verwarring, verslagenheid zelfs. Totdat een der gemeenteleden het woord neemt: “Nuh, soll der Rebbe falsch geguckt haben. Aber immerhin, welch ein Guck.”

In 1846 woonde in Brussel een 28-jarige Duitse emigrant, gepromoveerd filosoof en oproerig publicist. Het was naar deze man dat zich in dat jaar de in Londen wonende, maar van oorsprong eveneens Duitse horlogemaker Josef Moll begaf om hem te strikken voor zijn Londense clubje, dat zich Bond der Communisten noemde. Na enig aandringen lukte dat en toen het daaropvolgend jaar de Bond in Londen een paar bijeenkomsten hield (in de annalen van het socialisme als 'internationale congressen' geboekstaafd) was het de Brusselse emigrant die - samen met zijn een paar jaar jongere vriend - had gezorgd voor nieuwe statuten, die de Bond een wat bredere allure zouden moeten geven.

De nieuwe Bond wilde met een manifest naar buiten treden en de beide vrienden - Karl Marx en Friedrich Engels - werd gevraagd de tekst te leveren. Eind 1847 was die gereed en zo verscheen in februari 1848 het Manifest der Kommunistischen Partei, vooreerst alleen in het Duits. (Hoewel in de openingsparagraaf publicatie in nog vijf andere talen was aangekondigd, liet uitvoering van dat voornemen nog menig jaar op zich wachten. De Nederlandse versie verscheen pas in 1892.)

De kracht van het enkele tientallen pagina's tellende geschrift komt nergens scherper tot uitdrukking dan in de wereldberoemd geworden eerste en laatste zinnen ervan, die in feite een samenvatting zijn van het hele manifest. Het begin: Een spook waart door Europa - het spook van het communisme. En de slotregel: Proletariërs aller landen, verenigt U! Die twee zinnen omsluiten heel de polemiek en analyse van het manifest.

Allereerst de polemiek. Uitvoerig wordt verteld wat er allemaal mis is met verwante, zich socialistisch noemende stromingen. Achtereenvolgens wordt afgerekend met het feodale, kleinburgerlijke, het Duitse, het conservatieve en het utopische socialisme.

Alleen onverzoenlijke communisten deugen. Daarmee is tevens de toon gezet voor wat in later jaren het waarmerk van de communistische beweging zou worden: onverdraagzaamheid, kleinerende polemiek en bruut alleenvertoningsrecht zodra men de macht heeft gegrepen. Kenmerkend, kortom, voor sektarisch, fanatiek geloof. Des te opmerkelijker, dat in later jaren het Communistisch Manifest en aanverwante literatuur als het 'wetenschappelijk' socialisme zou worden aangeprezen.

Meer nog dan Marx' vruchteloos geworstel met zijn meerwaardetheorie en met andere specifiek economische theorieën überhaupt, is het zijn visie op de gang van de historie, het dialectisch materialisme, welke de claim van wetenschappelijkheid zal moeten onderbouwen. Deze geschiedbeschouwing vormt ook de analytische basis van het manifest: de dialectiek der klassentegenstellingen is in de door Marx beschouwde periode zijn motor van de historie: belangentegenstellingen, die hun basis vinden in de materiële productieverhoudingen.

Dit is de kern van het manifest: volgens een onontkoombare historische wetmatigheid zal het proletariaat over de nu nog heersende bourgeoisie zegevieren. Wel zal daartoe (en hier komen Marx' economische analyses aan bod) de samenleving eerst door een diep dal van steeds erger wordende economische crises moeten gaan en (volgens latere geschriften) zal de winstgevendheid van het bedrijfsleven ineenstorten. En ook zal eerst massale Verelendung het proletariaat op een hoop moeten hebben gedreven en rijp hebben gemaakt voor de revolutie, die niet simpel zal neerkomen op overname van bourgeois-instituties, maar op een nieuw Jeruzalem, te bouwen op de puinhopen van het oude.

Er is al vaak op gewezen hoezeer de marxistische visie neerkomt op een geseculariseerde joods-christelijke verlossingsleer. De parallellen zijn te talrijk om over het hoofd te zien. Is de klassenstrijd in wezen iets anders dan een late echo van het bijbelse gevecht tussen de zonen der duisternis en de kinderen van het licht? En ook de maatschappij, waarin het proletariaat aan de macht zal zijn gekomen, heeft bepaald chiliastische trekken. Nog een parallel trouwens: evenmin als het christendom ons van een blauwdruk van het komende paradijs heeft voorzien, hebben Marx en Engels zich gewaagd aan een analyse van de door hen verhoopte en als onvermijdelijk voorziene socialistische samenleving.

Hoe hard is die onvermijdelijkheid overigens? In het dialectisch materialisme zit een onmiskenbare spanning tussen determinisme en vrije wil, waarop onder anderen door Isaiah Berlin is gewezen. Dat klinkt zelfs door in de oproep, waarmee het manifest besluit: de proletariërs zullen zich toch nog op z'n minst moeten verenigen om het gewenste resultaat te bereiken. Zij zullen de bestaande orde moeten omverwerpen in het besef dat zij 'daarbij niets te verliezen (hebben) dan hun ketenen. Zij hebben een wereld te winnen'. Het komt dus allemaal niet vanzelf, het proletariaat zal actie moeten nemen.

In zekere zin wreekt zich, dat Marx noch in het manifest, noch elders tot een eenduidige en afgeronde presentatie van zijn ontwikkelingstheorie der samenleving is gekomen. Op het eerste gezicht een minpunt. Maar anderzijds heeft dat gemis het generaties van sociale wetenschappers mogelijk gemaakt Marx' geschiedbeschouwing à la carte te gebruiken, niet zelden met ontegenzeggelijk nuttig effect. Maar dat laat onverlet dat nu, 150 jaar later na het manifest het gelijk meer bij de constatering van Fukuyama lijkt te liggen: The notion that history is directional, meaningful, progressive, or even comprehensible is very foreign to the main currents of thought of our time.

Terug naar het manifest dat - zoals Engels later heeft geschreven - toch in hoofdzaak Marx' geesteskind is geweest. Het was een klaroenstoot, al was de toon niet geheel zuiver. Een mengeling van visie en vooroordeel, van subliem en abject. Eigenlijk is het geschrift een beeld van de auteur. Marx, de gedoopte afstammeling van rabbijnen, die in ongebreidelde selbsthass ergerlijke prietpraat over joden heeft neergeschreven. De would-be grand seigneur, trekkend op de portemonnee van z'n vriend Engels. De revolutionair, die niet dorst uit te komen voor de zoon, die hij bij zijn dienstbode had verwekt. Maar ook de man, die beproevingen in zijn gezinsleven waardig heeft gedragen. Een buitengewoon belezen man. Een ongemeen ijverig schrijver. Een visionair, zeker, al zijn z'n voorspellingen niet uitgekomen.

Aber immerhin, welch ein Guck.