Een virus, maar welk?

De hele vorige dag had hij al overwogen of hij het zou doen. Het onderwerp stond hem tegen, zo sterk zelfs dat zijn hersens al aan het afstotingsproces begonnen als zijn ogen naar de blaadjes met al die woorden keken. In bed had hij de goede houding niet kunnen vinden. Lag zijn hoofd eindelijk goed, dan was er weer iets met een arm of een been. Had hij die op de goede plaats gekregen dan zat zijn oor dubbel. Zo was hij ook nog overmand geraakt door het zelfmedelijden van de slapelozen. Al wakker liggend had hij binnensmonds geoefend.

'Ik geloof dat....' en de woorden, klank en intonatie op geloofwaardigheid beproefd. Het leek nergens naar. Het begon al licht te worden. Waarschijnlijk een wolkenloze dag want het was pas eind januari. Erg koud ook. Omdat hij toch niet meer in slaap zou vallen, zette hij de wekker maar af. Nee, hij voelde zich helemaal niet goed. Misschien was hij wel echt ziek. Dat zou hem niet verbazen. Hoe dichter het ogenblik van de beslissing naderde, hoe zieker hij werd. Rillend in zijn flanellen pyjamaatje strompelde hij door de slaapkamer - dat strompelen ging ook al vanzelf - en bereikte de eetkeuken.

“Wat heb jij!”, riepen de huisgenoten.

“Ik geloof dat ik ziek ben. Ik ga weer naar bed.”

“Ja. Ga maar gauw!”

De hele ochtend moest hij beschuitpap eten met af en toe een sinasprilletje. In het journaal van acht uur meldde Philip Freriks met bezorgd gezicht: 'Ook procureur-generaal Steenhuis is nu geveld door het Sorgdrager-virus.'

Alweer jaren geleden is een directeur van de Amsterdamse tram op het idee gekomen de trams met vrolijke voorstellingen te laten beschilderen. Met apen bijvoorbeeld. Dat werd lachen op de haltes. Toen heeft een pettenfabrikant bedacht dat een staking pas tot staking werd als de stakers zijn petjes hadden opgezet. Bij de onderwijzers was het al eerder bekend dat jongens die in de klas hun petje ophielden, lastiger waren dan de blootshoofdigen. Aan de bonden komt de eer toe, het petje als stakingswapen te hebben ontdekt. In de klas zijn ze nu verboden, maar geen staking zonder petjes. Zo vallen er nog honderd voorbeelden te geven. Het lijkt me voor een politicoloog de moeite waard, een verzameling aan te leggen van de berijmde leuzen op spandoeken waarmee de laatste tijd de boeren, de tuinders, de leraren, de verplegers, de omwonenden hun acties op het Binnenhof hebben gevoerd. Hadden de leraren ook niet een petje op? Heeft toen niet een leraar Duits in zichzelf gemompeld: Umwertung aller Werte?

Hoe dan ook. Richard Burton begint het verhaal van H. G. Wells over de invasie door de marsmannetjes, met donkere onheilspellende stem als volgt: It all seemed so quiet. Zo gaat het met alle grote gebeurtenissen, omwentelingen. De Zondvloed is begonnen met de eerste regendruppel, bij grote aardbevingen rolt er eerst één korreltje zand een paar centimeter naar beneden. Niemand besteedt er aandacht aan. Meer regen, er vallen kiezels, en dan: een wolkbreuk, een rotsblok. Eindelijk beginnen de zwartkijkers-van-nature iets te vermoeden. Maar ze worden overstemd door het koor der dwaze maagden met een van hun populaire cantates. Zo kan het jaren door gaan.

Toen kozen de Amerikanen hun nieuwe president. Nog voor hij voor de eerste keer was gekozen, liepen er geruchten. Beschouw die als de onverwachte druppels die ons even inspecterend naar de lucht doen kijken; de zandkorrels, door een lichte trilling een paar centimeter verder gerold. Hoe hebben we deze eerste tekenen onderschat! Nu, acht jaar verder, weten we meer. Wat heeft de president gedaan? Wat heeft hij niet gedaan? Is dat nog van belang? De wereld is weer getroffen door een zondvloed, deze keer van humor. Dat lijkt al hoe langer hoe meer te gebeuren, ook door toedoen van Amerikaanse presidenten. “Het begrotingstekort is nu groot genoeg om op zichzelf te kunnen passen”, zei Ronald Reagan. Maar dit is andere humor. Makes you feel so young, om Sinatra te citeren. Het is de humor van de lagere school. Eenvoudiger en directer kan het niet, en iedereen begrijpt meteen wat er bedoeld wordt, lacht, en kan er niet genoeg van krijgen. Sprekend over Bill Clinton wordt de hele mensheid weer kind, leeftijd tussen ongeveer zes en tien. De mensheid is een klas die onbedaarlijk lacht.

Ik kom terug tot mijn theorie, de procureurs-generaal, de apen, de petjes en de rijmpjes. Neem al deze verschijnselen - zullen we ze noemen omdat het een theorie is - bij elkaar. Moeten we dan niet tot de conclusie komen dat ze niet op zichzelf staan, maar allemaal onder eéEÉn noemer horen? Infantiliseren is meteen zo'n groot woord, maar noem het: jonger worden. Een wind van verjonging waait om de aarde. Er is nog wel veel ellende in de wereld, natuurlijk, maar er wordt meer gelachen zoals op de schoolpleinen. Het werkt aanstekelijk, of ernstiger: het is besmettelijk. Voel het zelf in uw inwendige. De botten gaan losser in het vel zitten, zijn eerder bereid om zich door de spieren in vrolijke, of in ieder geval kinderlijke beweging te laten zetten. Steenhuis, de stakers, Clinton, u en ik die de hemel weet wat nog van plan zijn: wij zijn geen oorzaken, maar allemaal gevolgen van iets veel groters dat de aarde heeft getroffen. Waarschijnlijk staan we nog maar aan het begin.